Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
20/19 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering AIO. Geen rechtmatig verblijf in Nederland. Appellant heeft eerst nadat zijn rechtmatige verblijf was beëindigd een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend. Hij voldeed in de te beoordelen periode dan ook niet aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit neergelegde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Voorts staat vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, zodat hij in de te beoordelen periode evenmin voldeed aan de in onderdeel b neergelegde voorwaarde voor gelijkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 19 PW

Datum uitspraak: 23 februari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 november 2019, 19/3234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die de Somalische nationaliteit heeft, ontving vanaf 28 maart 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Aan appellant is met ingang van 16 januari 2014 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, laatstelijk geldig tot 16 januari 2019. Bij besluit van 21 december 2018 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Staatssecretaris) de verblijfsvergunning van appellant met ingang van 18 februari 2015 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft appellant op 18 januari 2019 een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft de Staatssecretaris deze aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2019 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 21 december 2018 ingetrokken en de over de periode van december 2018 tot en met januari 2019 betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 1.177,41 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat de verblijfsvergunning van appellant bij besluit van 21 december 2018 met ingang van 18 februari 2015 is ingetrokken en dat de omstandigheid dat appellant hangende zijn procedure voor een verblijfsvergunning rechtmatig verblijf had, niet maakt dat hij recht op een AIO-aanvulling heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 21 december 2018, de datum met ingang waarvan de AIO-aanvulling is ingetrokken, tot en met 29 januari 2019, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf in Nederland had, zodat de Svb niet gerechtigd was zijn AIO-aanvulling over die periode in te trekken. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant evenals in beroep gewezen op een brief van de Staatssecretaris van 28 februari 2019.

4.3.

Deze beroepsgrond slaag niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

In artikel 11, derde lid, van de PW is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:

(...)

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

4.3.2.

De in artikel 11, derde lid, van de PW bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (Besluit). Artikel 1, eerste lid, van het Besluit luidt, voor zover van belang, als volgt. Voor de toepassing van de PW (...) wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.3.3.

In zijn brief van 28 februari 2019 heeft de Staatssecretaris aan appellant meegedeeld dat hij rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8 onder g of h van de Vreemdelingenwet 2000 omdat hij op 18 januari 2019 een (niet-)tijdige aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend. Anders dan appellant meent, volgt uit deze mededeling niet dat sprake is van een rechtmatig verblijf dat aanspraak geeft op een AIO-aanvulling. Voor dat laatste is, gelet op artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW, vereist dat appellant ook voldoet aan de in het Besluit gestelde voorwaarden.

4.3.4.

Dat is niet het geval. Vast staat dat appellant eerst nadat zijn rechtmatige verblijf was beëindigd een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend. Dit betekent dat appellant in de te beoordelen periode niet voldeed aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit neergelegde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Voorts staat vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Dit betekent dat appellant in de te beoordelen periode evenmin voldeed aan de in onderdeel b neergelegde voorwaarde voor gelijkstelling. Artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit biedt geen ruimte om een vreemdeling die niet voldoet aan de in laatstgenoemd artikellid opgenomen voorwaarden voor gelijkstelling toch gelijk te stellen met een Nederlander. Gelet hierop, heeft de Svb de AIO-aanvulling op goede gronden ingetrokken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen