Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
20/962 aw
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straf ontslag wegens toerekenbaar plichtsverzuim bestaande uit onder meer het raadplegen van systeemgegevens, terecht gegeven. Ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 962 AW

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 februari 2020, 19/3798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Financiën (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.W. te Selle, mr. G.F.G.M. Steegh en D. Goldsweer.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking

getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017, behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017, blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Appellant was sinds 27 september 1981 in dienst bij de Belastingdienst. Laatstelijk

was hij werkzaam in de functie van [naam functie], [directie] ([directie]) op het kantoor in [standplaats].

1.2.

Bij een interne controle is gebleken dat appellant drie maal het proces voor het

ambtshalve verminderen van de aanslag IB/PV 2015 voor zijn zoon en tweemaal een proces voor zijn dochter had opgestart, namelijk het proces voor het vaststellen van de aanslag IB/PV 2015 en voor de voorlopige aanslag IB/PV 2016. De plaatsvervangend directeur [directie] heeft een aanvraag om ontheffing van de geheimhoudingsplicht met betrekking tot gedragingen van appellant gevraagd vanwege het vermoeden van door appellant gepleegd plichtsverzuim. Nadat deze ontheffing is verleend, is de minister een onderzoek gestart. In dit onderzoek is onder meer komen vast te staan dat de voor de zoon van appellant verleende ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PV 2015 is verricht door een collega in aanwezigheid van appellant op 5 april 2017.

1.3.

Op 15 januari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en onder meer de plaatsvervangend directeur [directie] over de onderzoeksbevindingen. Na dit gesprek is appellant voor de duur van het nader onderzoek naar vermoedelijk plichtsverzuim met onmiddellijke ingang geschorst en is hem de toegang tot het werk ontzegd. Deze schorsing is verlengd.

1.4.

Bij brief van 17 april 2018 is een tenlastelegging van het appellant verweten plichtsverzuim aan hem uitgebracht. Appellant heeft naar aanleiding hiervan zowel schriftelijk als mondeling verantwoording afgelegd.

1.5.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant mondeling en schriftelijk zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de minister appellant bij besluit van 28 augustus 2018 met ingang van 30 augustus 2018 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 juni 2019 ongegrond verklaard.

1.6.

De minister heeft aan de disciplinaire straf van ontslag ten grondslag gelegd dat appellant

zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende, als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen:

  1. het onbevoegd, zonder dienstopdracht of zakelijke reden vijf maal inzien van de belastingdienstsystemen voor niet zakelijke doeleinden, waarmee hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van de belastingdienstsystemen;

  2. het onbevoegd tezamen met een daartoe niet bevoegd zijnde collega, zonder opdracht of zakelijke reden en zonder onderliggende wettelijk vereiste stukken, op 5 april 2017 ambtshalve verminderen van de aanslag IB/PV 2015 van zijn zoon en/of zijn collega daartoe te hebben aangezet en/of zijn collega daarvan niet te hebben weerhouden;

  3. het gebruiken van interne informatie uit de belastingdienstsystemen om derden, te weten zijn zoon en/of dochter (indirect) te informeren dan wel te adviseren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat appellant niet heeft betwist dat hij gedraging 1 heeft begaan. De rechtbank heeft op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens de overtuiging verkregen dat appellant tezamen met zijn daartoe niet bevoegde collega zonder opdracht of zakelijke reden en zonder onderliggende wettelijk vereiste stukken is overgegaan tot het ambtshalve verminderen van de aanslag IB/PV 2015 van zijn zoon en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de tweede verweten gedraging. Daarbij maakt de omstandigheid dat zijn collega degene is geweest die op de knop heeft gedrukt niet dat de gedraging niet gezamenlijk is geweest. Gelet op die overtuiging is de vraag of appellant zijn collega heeft aangezet dan wel er niet van heeft weerhouden tot vermindering over te gaan niet relevant. Aangaande de derde gedraging heeft de rechtbank geoordeeld dat daargelaten of zijn dochter is geïnformeerd, zijn zoon geïnformeerd is geraakt. Niet betwist is immers dat de gewijzigde aanslag bij zijn zoon op de deurmat is gevallen. Daarmee heeft appellant zich ook schuldig gemaakt aan de derde hem verweten gedraging. Deze gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim. Redenen om dit plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten zijn niet gesteld of gebleken. De minister was dan ook bevoegd appellant hiervoor een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank acht de straf van ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.1.2.

Ook volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 22 oktober 2015, ECLI:CRVB:2015:3670) is bij de vraag of het raadplegen van systeemgegevens plichtsverzuim oplevert, minder relevant de aard van de verkregen informatie en de vraag of betrokkene de informatie daadwerkelijk heeft gebruikt, naar buiten gebracht of aan derden heeft verstrekt; voorop staat dat de systemen slechts mogen worden bevraagd voor functionele doeleinden. Juist omdat zo lastig is aan te tonen wat met de opgevraagde informatie wordt gedaan, moet deze regel strikt worden gehanteerd.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling

van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hieraan nog het volgende toe.

4.3.

Over de als eerste verweten gedraging is de Raad met de minister van oordeel dat dit plichtsverzuim oplevert. Appellant heeft niet betwist dat hij deze gedragingen heeft begaan en dat dit als plichtsverzuim kan worden aangemerkt.

4.4.

Over de tweede gedraging heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat dit plichtsverzuim oplevert. Appellant heeft verklaard zijn collega te hebben gevraagd om de aanslag IB/PV 2015 van zijn zoon met hem te controleren en dat hij erbij aanwezig was toen zijn collega op de computer de aangifte van zijn zoon ambtshalve heeft verminderd. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangifte niet zelf ambtshalve wilde verminderen omdat hij weet dat hij dat niet behoort te doen. Ten slotte heeft hij in dit verband verklaard dat hij er een ongemakkelijk gevoel bij had toen zijn collega de ambtshalve vermindering had uitgevoerd. Ook de Raad heeft de overtuiging gekregen dat appellant samen met zijn collega de aanslag heeft verminderd. Dat appellant zelf niet op de entertoets heeft gedrukt, maakt niet dat de gedraging niet gezamenlijk is geweest, temeer daar dit – zoals ter zitting duidelijk is geworden – de laatste van een groot aantal handelingen was die diende te worden uitgevoerd om de ambtshalve vermindering in het systeem door te voeren. Bij al die handelingen is appellant betrokken geweest en voor zover zijn collega die heeft uitgevoerd, heeft appellant hem daar op geen enkel moment in dat proces van trachten te weerhouden. Aldus is voldaan aan de omschrijving van tweede gedraging waar het gaat om het onbevoegd en tezamen verminderen van de aanslag. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de vraag of appellant zijn collega daartoe heeft aangezet, dan wel die collega er (op het laatste moment) niet van weerhouden heeft niet relevant is. Het betrekken van zijn collega bij deze handeling is onder deze omstandigheden al in strijd met wat appellant als een goed ambtenaar behoort te doen of na te laten. De vraag of sprake is van een ongeoorloofde uitbreiding van de tenlastelegging kan daarom onbesproken blijven.

4.5.

Gedragingen 1 en 2 leveren plichtsverzuim op. Nu het plichtsverzuim aan appellant is toe te rekenen, was de minister bevoegd hem een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.6.

De Raad is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim waar het gedragingen 1 en 2 samen betreft. Er worden door de minister terecht hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid gesteld aan medewerkers van de Belastingdienst. Appellant was er van op de hoogte dat raadpleging van de systeemgegevens voor privédoeleinden niet geoorloofd was. Appellant heeft niet één keer, maar vijf keer om niet-zakelijke reden de systemen geraadpleegd. Ook weegt hierbij zwaar dat dit heeft geleid tot een ambtshalve vermindering van een aanslag van zijn zoon, waarbij appellant bovendien een collega heeft betrokken. De ambtshalve vermindering hoorde niet tot zijn takenpakket, noch tot dat van zijn collega. De verweten gedragingen brengen mee dat van bevoordeling en belangenverstrengeling sprake is, want ieder andere belastingplichtige krijgt niet zonder bezwaar of herzieningsverzoek een ambtshalve vermindering. Dat sprake was van een ‘cultuur’ waarin werd gedoogd om de systemen te raadplegen en zonder zakelijke redenen te gebruiken, is door de minister betwist. De minister heeft daartoe verwezen naar de verklaring de plaatsvervangend directeur [directie] van 23 augustus 2018. Appellant heeft zijn stelling niet nader onderbouwd en van een zodanige cultuur is de Raad ook niet gebleken. Door zijn handelwijze heeft appellant het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad, en door op handelen van anderen te wijzen gaat appellant voorbij aan zijn eigen verantwoordelijkheid. De lange staat van dienst van appellant en de gevolgen die het ontslag voor hem en zijn gezin heeft, leggen hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.E. van Donk