Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
19/1924 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Geen dringende redenen voor afzien terugvordering. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellante en X gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en sprake was van wederzijdse zorg. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen om af te zien van terugvordering. Zij heeft niet onderbouwd dat zij ernstige psychische gevolgen ondervindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1924 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 april 2019, 18/2798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak: 8 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Dronkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021. Appellante, bijgestaan door mr. Dronkers, heeft via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic die ook via videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 februari 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante stond van 15 juli 2016 tot 1 maart 2018 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op adres 1 in Roermond (uitkeringsadres). Zij staat vanaf 1 maart 2018 in de BRP ingeschreven op adres 2 in Roermond. X stond van 19 juli 2012 tot 5 augustus 2016 in de gemeentelijke basisadministratie (nu BRP) ingeschreven op adres 3 in [plaatsnaam 1]. X stond sinds 5 augustus 2016 in de BRP ingeschreven op het adres van de maatschappelijke opvang [naam opvang] (opvang).

1.2.

Na een melding van 9 februari 2018 van de bovenburen dat appellante samenwoont met X, heeft een medewerker van de gemeente Roermond (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer de aan- en afwezigheidsregistraties van X bij de opvang opgevraagd. De medewerker heeft appellante op 20 maart 2018 en X op 9 april 2018 gehoord. Op 27 maart 2018 heeft de medewerker een gesprek gevoerd met de begeleiders van appellante en X. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 april 2018.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 30 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over periode van 15 juli 2016 tot 1 maart 2018 in te trekken en de over die periode tot een bedrag van € 24.736,77 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 15 juli 2016 tot 1 maart 2018.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.

4.4.

Het eerste criterium waaraan moet worden voldaan, is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat appellante en X op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben, maakt het niet uit dat zij ingeschreven staan op verschillende adressen. Niet in geschil is dat appellante haar hoofdverblijf in de te beoordelen periode heeft gehad op het uitkeringsadres. In geschil is of X zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode heeft gehad op het uitkeringsadres.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen niet toereikend zijn voor de conclusie dat X zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Appellante heeft op 20 maart 2018 verklaard dat X dagelijks op het uitkeringsadres was. X had vanaf het begin tot het eind dat appellante op het uitkeringsadres heeft gewoond een sleutel van de woning op het uitkeringsadres. Appellante heeft ook verklaard dat X doordeweeks in de ochtend naar het uitkeringsadres kwam. X bleef in de weekenden slapen en soms ook doordeweeks. De verklaring van X komt overeen met de verklaring van appellante. X heeft in het gesprek van 9 april 2018 verklaard dat hij dagelijks op het uitkeringsadres was en een sleutel van het uitkeringsadres had. X heeft ook verklaard dat hij in de ochtend om 9:00 uur naar het uitkeringsadres ging en tegen etenstijd of soms ’s avonds vertrok. In de tussentijd was hij aan het tv kijken of computeren. In de weekenden op vrijdag en zaterdag en ook wel eens doordeweeks bleef hij op het uitkeringsadres slapen.

4.5.2.

De stelling dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan bij de opvang, gelet op de situatie waarin appellante en X zich bevonden, slaagt niet. De medewerker heeft namelijk om informatie over de aanwezigheid van X opgevraagd bij de opvang. Uit de nachtregistraties van de opvang over de periode van 16 oktober 2017 tot en met 25 februari 2018 blijkt dat X voor het merendeel van de nachten niet verbleef in de opvang. Verder heeft de medewerker ook een gesprek gevoerd met de begeleiders van appellante en X. Beide begeleiders hebben – overeenkomstig de verklaringen van appellante en X – verklaard dat X regelmatig verbleef bij appellante en dat hij ook in de woning op het uitkeringsadres verbleef als appellante er niet was.

4.5.3.

De stelling van appellante dat X ook veel in [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] was, betekent evenmin dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de situatie van X. X heeft namelijk verklaard dat hij één keer in de twee maanden naar zijn moeder en zussen in [plaatsnaam 3] en zoons in [plaatsnaam 2] gaat. Daar verblijft hij dan twee of drie dagen. Dit verblijf bij familieleden van enkele dagen duidt niet op een ander adres waar X zijn hoofdverblijf heeft gehad.

4.6.

Uit 4.5.1 tot en met 4.5.3 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en X gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.7.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken. Niet in geschil is dat appellante in de zorg van X heeft voorzien.

4.8.1.

Appellante heeft aangevoerd dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en heeft in dit verband gesteld dat zij eenzijdig zorg verleende aan X. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.2.

Appellante heeft verklaard dat X haar hond uitliet, haar hond verzorgde en wel eens boodschappen deed. X heeft verklaard dat hij regelmatig de hond van appellante uitliet en voor appellante naar de apotheek ging. Hij hielp mee met het huishouden, hielp als er reparatie moest worden gedaan aan bijvoorbeeld de wasmachine, schilde wel eens de aardappelen, haalde de was uit de wasmachine en haalde wel eens boodschappen voor appellante. Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat er wederzijdse zorg was tussen appellante en X.

4.8.3.

Anders dan appellante heeft gesteld, is voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden aan de ander gegeven zorg dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8.3 volgt dat appellante en X in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door bij het college geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding met X. Het college was gelet daarop gehouden de bijstand van appellante in te trekken, omdat zij in de te beoordelen periode niet kon worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand en daarom geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hierdoor was het college ook gehouden de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

4.10.

Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Appellante heeft daartoe gesteld dat zij nauw contact heeft gehad met de gemeente en altijd betrokken is geweest door haar rol als lid van de cliëntenraad en mantelzorger. Door dit alles heeft zij psychisch ernstige gevolgen ondervonden van de besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10.1.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

4.10.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Zij heeft niet onderbouwd dat zij ernstige psychische gevolgen ondervindt. Appellante heeft ook niet onderbouwd dat deze gevolgen zijn ontstaan door de terugvordering. Er zijn daarom geen dringende redenen, in de hiervoor bedoelde zin, om van de terugvordering af te zien. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellante heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het college heeft appellante ter zitting ook op de mogelijkheid gewezen om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen volgens de door het college gehanteerde beleidsregels.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) W.E.M. Maas

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.