Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
18/2042 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief betreffende hoorzitting is niet-aangetekend verzonden. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze brief is verzonden. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat appellant afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden tijdens de bezwaarprocedure. Appellant is op verzoek van het Uwv onderzocht in Bosnië-Herzegovina. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden doordat appellant niet opnieuw voorafgaande aan het bestreden besluit medisch is onderzocht. Ook overigens is niet gebleken dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig zou zijn geweest. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en terecht vastgesteld dat de door appellant bij zijn verzoek ingediende informatie geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden bevat in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De door appellant ingediende (medische) informatie ziet op de periode 2012 tot en met 2016. Er bestond dan ook geen aanleiding voor het Uwv om het besluit van 23 maart 2005 te herzien. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. Het Uwv en de rechtbank zijn terecht uitgegaan van de datum 24 mei 2005 bij de beoordeling of sprake is van een toename van medische beperkingen en of die beperkingen voortvloeien uit dezelfde oorzaken die een rol speelden bij de herziening van de WAO-uitkering. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De beperkingen van appellant zijn correct vastgesteld in de FML die is aangepast door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 februari 2017. Uitgaande van de juistheid van de FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat de voorbeeldfuncties in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2017, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Appellant is dan ook op goede gronden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Uit de overwegingen volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft dat door de rechtbank niet is onderkend. Nu het bestreden besluit inhoudelijk juist is, bestaat aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, die hij in verband met het beroep tegen het bestreden besluit en in hoger beroep heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2042 WAO

Datum uitspraak: 10 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2018, 17/1280 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021. Namens appellant is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1997 van Bosnië-Herzegovina naar Nederland verhuisd. Hij was werkzaam als allround isoleerder en plaatwerker toen hij op 28 januari 2002 wegens fysieke klachten uitviel voor deze werkzaamheden. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 26 januari 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Appellant is in 2005 teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina. Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid – na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling – met ingang van 24 mei 2005 vastgesteld op 15 tot 25%. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het Uwv – op arbeidskundige gronden na de aanpassing van de maatman – de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 2 maart 2007 vastgesteld op 25 tot 35%. Deze besluiten zijn bij de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2403, in rechte vast komen te staan.

1.2.

Appellant heeft op 22 september 2013 bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheid sinds 2006 is verslechterd. Appellant is op verzoek van het Uwv onderzocht in BosniëHerzegovina. Een verzekeringsarts heeft de functionele mogelijkheden van appellant ten opzichte van 24 februari 2005 ongewijzigd vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 september 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 september 2015 berekend op 36,41% en geconcludeerd dat appellant met ingang van die datum voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is in het kader van de WAO. Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 september 2015 verhoogd naar € 644,45 bruto per maand. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 februari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van 16 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 22 februari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van een claim van appellant dat hij al in 2006 meer of toegenomen arbeidsongeschikt was, geconcludeerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden teruggekomen van de beoordeling in 2005. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML, geldig vanaf 22 september 2013, aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee geduide functies verworpen en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 40,31%, waardoor deze in de klasse 35 tot 45% blijft

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van hoor en wederhoor. Het Uwv heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 1 februari 2017 verzocht om binnen 10 dagen te laten weten of er behoefte is aan een hoorzitting. In deze brief is vermeld dat als appellant niet kenbaar maakt dat hij een hoorzitting wenst het Uwv het bezwaar van appellant afhandelt op grond van de stukken. De brief is naar het juiste adres van de gemachtigde gezonden en de gemachtigde heeft niet gereageerd. Het Uwv mocht er dan ook volgens de rechtbank van uitgaan dat appellant geen behoefte had aan een hoorzitting.

2.2.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv het recht van appellant op

WAO-uitkering, zoals vastgesteld bij het oorspronkelijke besluit van 23 maart 2005, op goede gronden niet heeft herzien. Onder verwijzing naar het toetsingskader in de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De door appellant overgelegde medische verklaringen dateren van 2013 en 2014 en hebben geen betrekking op het oorspronkelijke besluit. De rechtbank is evenmin gebleken van feiten en omstandigheden die, hoewel geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, toch aanleiding geven tot nader onderzoek door het Uwv. Ook is volgens de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Het Uwv heeft dan ook volgens de rechtbank de aanvraag van appellant ook voor de periode na de aanvraag kunnen afwijzen.

2.3.

Voor zover appellant eveneens een zogenaamde Amberbeoordeling heeft beoogd op grond van artikel 39a van de WAO is de rechtbank uitgegaan van de datum 24 mei 2005, zoals vermeld in het besluit van 23 maart 2005, nu op dat moment de uitkering voor het laatst op medische gronden is herzien. Het Uwv heeft bij de beoordeling in 2005 alleen beperkingen aangenomen die betrekking hebben op de rugklachten en niet op de psychische klachten en nek- en schouderklachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 juli 2017 naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat bij afwezigheid van psychopathologie, afwezigheid van behandeling voor een psychiatrische stoornis en afwezigheid van gebruik van specifieke medicatie die te herleiden is tot een psychiatrische stoornis, het plausibel is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2005 geen psychiatrische diagnose noemt en na 2002 geen specifieke beperkingen meer aanneemt in het persoonlijk en sociaal functioneren. Hieruit volgt dat appellant enkel in aanmerking komt voor een ophoging van zijn uitkering voor zover de toename voortkomt uit zijn rugklachten. De toename van de psychische klachten en nek- en schouderklachten komen voort uit een andere oorzaak dan die waarop de arbeidsongeschiktheid in 2005 is vastgesteld en komen dus niet voor een ophoging van zijn uitkering in aanmerking. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het Uwv het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden door appellant niet opnieuw voorafgaand aan de beslissing op bezwaar medisch te laten (her)onderzoeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank alle medische informatie en de door appellant aangegeven klachten in zijn beoordeling betrokken en heeft gemotiveerd waarom er niet meer beperkingen ten aanzien van de rugklachten aangenomen dienen te worden in de FML van 20 februari 2017. Er zijn geen medische stukken ingediend waardoor twijfel ontstaat aan de verzekeringskundige beoordeling en die aanleiding geven voor het benoemen van een deskundige. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen in de geselecteerde voorbeeldfuncties kan werken. Uit de functieomschrijvingen blijkt niet dat de belastbaarheid van appellant wordt overschreden. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid dan ook terecht vastgesteld op 35 tot 45%. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een schending van hoor en wederhoor omdat hij niet kenbaar heeft gemaakt dat hij van een hoorzitting afziet. De niet aangetekende brief van het Uwv van 1 februari 2017 is nooit ontvangen. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is onzorgvuldig geweest omdat appellant niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzocht. De rechtbank heeft daarnaast ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Er zijn nova door appellant ingediend omdat de medische informatie uit 2013 en 2014 niet eerder is ingediend. Het besluit uit 2005 moet worden herzien omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant toen ten onrechte is verlaagd. Daarnaast is zijn gezondheid verslechterd vanaf 2006. Hij moet in ieder geval vanaf 2013 volledig arbeidsongeschikt worden geacht. Door de verlaging in 2005 kunnen de overige in 2002 verzekerde klachten niet opeens vervallen. Ten onrechte is geen rekening gehouden met een oorlogstrauma, die heeft geleid tot een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) met een chronische depressie, en met de linker arm- en schouderklachten. Deze klachten bestonden ook in 2005 en zijn toegenomen. Het Uwv heeft artikel 37, tweede lid, van de WAO onjuist toegepast en heeft ten onrechte een wachttijd van 104 weken toegepast.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Voor de toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO verwijst het Uwv naar de uitspraak van de Raad van 28 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3432. De mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is in 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%. De claim van appellant op 22 september 2013 dient dan ook vergeleken te worden met de beperkingen die bestonden in 2005.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het recht van appellant om gehoord te worden tijdens de bezwaarprocedure is geschonden door het Uwv. Verder is in geschil of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaar zorgvuldig is geweest, of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 23 maart 2005 en of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht na een wachttijd van 104 weken met ingang van 19 september 2015 heeft vastgesteld op 40,31%.

Horen in bezwaar

4.2.1.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Artikel 7:3, aanhef en onder c en d, van de Awb bepaalt uitdrukkelijk dat van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien de belanghebbenden heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord of dat de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

4.2.2.

Appellant heeft ontkend dat hij de brief van het Uwv van 1 februari 2017, waarin hem is verzocht te laten weten of hij behoefte heeft aan een hoorzitting, te hebben ontvangen. Deze brief is niet-aangetekend verzonden. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze brief is verzonden. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat appellant afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden tijdens de bezwaarprocedure. Er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:3, aanhef en onder c of d, van de Awb. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Welke gevolgen hieraan worden verbonden komt onder 4.6 van deze uitspraak aan de orde.

Zorgvuldigheid onderzoek in bezwaar

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat hij niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzocht. Appellant is op verzoek van het Uwv onderzocht in Bosnië-Herzegovina. De inhoud van dat onderzoek en de overige medische stukken zijn uitgebreid vermeld in het rapport van de verzekeringsarts van 14 september 2016 en betrokken bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant ingebrachte medische stukken en de door hem geclaimde klachten bij haar beoordeling betrokken blijkens het rapport van 16 februari 2017. Uit de rapporten komt een duidelijk ziektebeeld naar voren dat door appellant niet is bestreden. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden doordat appellant niet opnieuw voorafgaande aan het bestreden besluit medisch is onderzocht. Ook overigens is niet gebleken dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig zou zijn geweest.

Verzoek om terug te komen van het oorspronkelijk besluit

4.4.1.

Het verzoek van appellant van 22 september 2013 strekt er in de eerste plaats toe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 23 maart 2005. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Zoals in de uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894, is overwogen blijft na toepassing door een bestuursorgaan van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 februari 2017 geconcludeerd dat appellant geen medische gegevens heeft ingediend die betrekking hebben op de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 24 mei 2005. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en terecht vastgesteld dat de door appellant bij zijn verzoek ingediende informatie geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden bevat in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De door appellant ingediende (medische) informatie ziet op de periode 2012 tot en met 2016. Er bestond dan ook geen aanleiding voor het Uwv om het besluit van 23 maart 2005 te herzien.

4.4.3.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. Ook blijkt niet uit de door appellant bij het verzoek ingediende stukken dat de beoordeling in 2005 onjuist was. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant ook voor de toekomst, vanaf 22 september 2013, op goede gronden heeft afgewezen.

Melding toegenomen arbeidsongeschiktheid

4.5.1.

Op grond van artikel 37, eerste lid, van de WAO, vindt in het geval van toeneming van arbeidsongeschiktheid, herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de WAO vindt de in het eerste lid genoemde herziening niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid terzake waarvan de WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

4.5.2.

Op grond van artikel 39a, eerste lid, WAO vindt terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid terzake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.5.3.

De melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid dateert van 22 september 2013, dus na het eindigen van de termijn van vijf jaar na de datum van herziening van de WAOuitkering per 24 mei 2005. Van toepassing is dan ook artikel 37 van de WAO. Dit artikel strekt ertoe dat het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, niet verzekerd is in zoverre die toeneming kennelijk is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Vanaf het moment dat de uitkering van de verzekerde voor het eerst wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% omvat de verzekering voor personen als bedoeld in artikel 37 van de WAO - zo blijkt uit de bedoeling van de wetgever - niet het risico van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een kennelijk andere oorzaak dan die ter zake waarvan uitkering wordt ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient bij een beoordeling van de gestelde toename van de arbeidsongeschiktheid op grond van dit wetsartikel zowel een medische als een arbeidskundige beoordeling plaats te vinden. Verwezen wordt naar onder meer de uitspraken van de Raad van 28 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3432, 6 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0866 en van 6 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3792.

4.5.4.

Het Uwv en de rechtbank zijn terecht uitgegaan van de datum 24 mei 2005 bij de beoordeling of sprake is van een toename van medische beperkingen en of die beperkingen voortvloeien uit dezelfde oorzaken die een rol speelden bij de herziening van de WAOuitkering. Vanaf die datum werd de uitkering van appellant voor het eerst berekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

4.5.5.

In 2002 zijn volgens het rapport van een verzekeringsarts van 31 oktober 2002 als gevolg van de rugklachten beperkingen vastgesteld voor rug belastende activiteiten. Voorts zijn toen enige beperkingen voor psychisch belastende factoren zoals spanning, stress en druk vastgesteld in verband met gespannen spieren (spanningsklachten) met bewegingsbelemmeringen. In 2005 zijn door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen beperkingen vastgesteld die betrekking hebben op de rugklachten. Het persoonlijk en sociaal functioneren is niet beperkt geacht in de FML van 24 februari 2005. Uit de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit 2005 blijkt dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 juli 2017 gemotiveerd dat bij afwezigheid van psychopathologie, afwezigheid van behandeling voor een psychiatrische stoornis en afwezigheid van gebruik van specifieke medicatie die te herleiden is tot een psychiatrische stoornis, het plausibel is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2005 geen psychiatrische diagnose noemt en geen specifieke beperkingen meer aanneemt in het persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat alleen de rugklachten ten grondslag liggen aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2005. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.6.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het Uwv de door appellant geclaimde toegenomen rugklachten op een juiste wijze heeft beoordeeld en vertaald in de FML. In 2005 zijn bij onderzoek door een verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep na lichamelijk onderzoek en op grond van een neurologisch onderzoek geen afwijkingen aan de rug aangetoond die de door appellant ernstig invaliderende ervaren rugklachten kunnen verklaren. Volgens een neuroloog is sprake van een lumbago met uitstralende pijn en blijkt uit een MRI geen wortelcompressie en bestaat er geen bezwaar om rug sparende arbeid te verrichten. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 14 september 2016 gemotiveerd dat de klachten van appellant, gelet op de informatie die al in het dossier aanwezig is, de ontvangen informatie en de bevindingen van de beoordeling van de arts van het buitenlandse orgaan sociale zekerheid, in grote lijnen overeenkomen met de eerdere beoordeling. De verzekeringsarts heeft de in 2005 vastgestelde rug beperkingen gehandhaafd in de FML van 14 september 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat bij onderzoek op 12 juni 2014 bij het instituut voor medische expertise in Bosnië-Herzegovina wordt beschreven dat sprake is van vertebrogene blokken met een mobiliteitsbeperking en dat bij het onderzoek geen ernstige bewegingsbelemmeringen zijn vastgesteld. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben gemotiveerd dat uit de medische stukken niet blijkt dat de afwijkingen aan de rug evident zijn toegenomen sinds 2005. Appellant wordt nog steeds geschikt geacht voor rug sparende arbeid en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een toegenomen beperking vastgesteld bij lopen tijdens het werk. Appellant heeft geen nieuwe (medische) stukken ingebracht waaruit blijkt dat er meer beperkingen ten aanzien van de rugklachten hadden moeten worden vastgesteld dan nu is gedaan. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geen reden gezien om aan de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De beperkingen van appellant zijn correct vastgesteld in de FML die is aangepast door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 februari 2017.

4.5.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat de voorbeeldfuncties in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2017, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties heroverwogen en heeft functies verworpen. Op basis van de drie overgebleven functies is de arbeidsongeschiktheid berekend op 40,31%. Verwezen wordt naar de Resultaat functiebeoordeling van de voorbeeldfuncties en de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant. Appellant is dan ook op goede gronden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

4.5.8.

Ten slotte wordt het oordeel van de rechtbank gevolgd dat geen twijfel is ontstaan over de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het Uwv, zodat er geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen.

4.6.

Uit 4.2.2 volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft dat door de rechtbank niet is onderkend. Nu het bestreden besluit inhoudelijk juist is, bestaat aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dat betekent dat er geen aanleiding is om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, die hij in verband met het beroep tegen het bestreden besluit en in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.335,- in beroep (2,5 punten voor beroepschrift, zienswijze na vraag rechtbank en zitting) en op € 1.068,- in hoger beroep (2 punten voor hoger beroepschrift en zitting), totaal € 2.403,-. Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.403,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en M.E. Fortuin en H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B.V.K. de Louw