Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
19/5216 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening in aanmerking te nemen inkomen. Extra periode salaris (EPS).

In de uitspraak van 6 juni 2019 heeft de Raad overwogen dat het Uwv kon worden gevolgd in het standpunt dat in dit geval toepassing kon worden gegeven aan artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, waarbij voor VT en EPS wordt uitgegaan van de per tijdvak opgebouwde bedragen, in plaats van de uitbetaalde bedragen. In wat appellant heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om thans anders te oordelen. Ook in onderhavig geding is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de omstandigheid dat aan appellant een lager bedrag aan EPS is uitbetaald het gevolg van de keuze die appellant heeft gemaakt om dat bestanddeel in te zetten voor een ander doel. Appellant heeft voor het ingezette bedrag extra reiskostenvergoeding ontvangen en heeft daarmee het ingezette inkomensbestanddeel genoten. Dat de berekeningswijze van het Uwv leidt tot ongerechtvaardigde verschillen tussen gevallen waarin het reguliere salaris of reguliere vakantiegeld wordt ingezet voor de aanschaf van extra vakantie-uren en de gevallen waarin het EPS wordt ingezet, is niet gebleken. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd. Het Uwv heeft op goede gronden niet de gegevens uit de polisadministratie maar uit de loonstrook van appellant gebruikt. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5216 WIA

Datum uitspraak: 10 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2019, 17/3615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. ‘t Jong hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen en fysiek plaatsgevonden op 13 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. ‘t Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 13 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van 13 september 2012 is deze uitkering omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Appellant is vanaf 1 september 2013 werkzaam geweest als ICT-tester in dienst van het Uwv. De inkomsten uit deze arbeid werden verrekend met de WGA-uitkering. In verband hiermee werd de WGA-uitkering bij wijze van voorschot betaald en vond achteraf de definitieve vaststelling van de WGA-uitkering plaats.

1.2.

Bij besluit van 12 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2016, heeft het Uwv de WGA-uitkering over de maanden oktober tot en met december 2015 definitief vastgesteld en berekend dat appellant nog een nabetaling van € 167,70 bruto ontvangt. Bij besluit van 19 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2016, heeft het Uwv de WGA-uitkering over de maanden april tot en met juni 2016 definitief vastgesteld en berekend dat appellant in totaal € 115,93 bruto te veel heeft ontvangen. Bij uitspraak van 6 februari 2017 heeft de rechtbank Amsterdam de tegen de beslissingen op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van
6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1835, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het Uwv de WGA-uitkering over de maanden
oktober 2016 tot en met februari 2017 definitief vastgesteld en berekend dat appellant een nabetaling van € 342,78 bruto ontvangt. Bij beslissing op bezwaar van 18 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, gericht tegen de vaststelling van zijn WGA-uitkering over de maand december 2016, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – samengevat - het volgende overwogen. Door appellant is een identieke procedure gevoerd over zijn SV-loon voor de maand december 2015. In de hierboven genoemde uitspraak van 6 juni 2019 heeft de Raad overwogen dat er geen aanleiding is te oordelen dat het Uwv niet op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de bepalingen uit het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat in dit geval toepassing kon worden gegeven aan artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, waarbij voor vakantietoeslag (VT) en extra periode salaris (EPS) wordt uitgegaan van de per tijdvak opgebouwde bedragen in plaats van de uitbetaalde bedragen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de situatie over 2016 feitelijk hetzelfde is als over 2015. De rechtbank heeft in het betoog van appellant geen redenen gezien om af te wijken van de voornoemde uitspraak van de Raad en in deze zaak een ander oordeel te geven. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat de omstandigheid dat aan appellant een lager bedrag aan EPS is uitbetaald dan het totaal van de opgebouwde bedragen, het gevolg is van de keuze die appellant heeft gemaakt om het EPS in te zetten voor een ander doel. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te concluderen dat het Uwv gebruik had moeten maken van de in artikel 4, achtste lid, van het AIB opgenomen inherente afwijkingsbevoegdheid of dat de toepassing van dit artikellid in dit geval leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv niet het in december 2016 uitbetaald EPS ter hoogte van € 1.604,78 maar het volledige bedrag aan opgebouwd EPS ter hoogte van € 1.746,60, dus inclusief het bedrag van € 141,82 dat door appellant is ingezet voor de aanschaf van extra vakantie-uren, in mindering had moeten brengen op het SV-loon in december 2016. Weliswaar is niet het hele bedrag aan opgebouwd EPS SV-loon geworden, maar het is wel geheel aan appellant betaald, deels in de vorm van vakantie-uren. De uitbetaling van het EPS is gelijk aan de opbouw. De handelswijze van het Uwv leidt volgens appellant tot ongerechtvaardigde verschillen tussen gevallen waarin het reguliere salaris of reguliere vakantiegeld wordt ingezet voor de aanschaf van extra vakantieuren en de gevallen waarin het EPS wordt ingezet. Daarbij handelt het Uwv volgens appellant ook niet volgens de eigen vaste gedragslijn en werkwijze waarbij wordt uitgegaan van de opgave van de werkgever in de polisadministratie en niet van de loonstrook.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat de WGAuitkering bestaat uit een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat tenminste gelijk is aan de inkomenseis of een vervolguitkering. In artikel 61 van de Wet WIA is bepaald hoe de hoogte van de WGAuitkering per kalendermaand wordt vastgesteld. Daarbij is van belang wat het inkomen per kalendermaand is. Op grond van artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Dit is gebeurd in het AIB.

4.2.

Artikel 3:1 van het AIB, voor zover hier van belang, bepaalt dat hoofdstuk 3 van toepassing is op het bepalen van het inkomen als bedoeld in de Wet WIA.

Artikel 3:2, eerste lid, onder a, van het AIB bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (WFSZ) voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet.

Artikel 16, eerste lid, van de WFSZ bepaalt dat voor de toepassing van dit hoofdstuk onder loon wordt verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 luidt als volgt:

Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.

4.3.

Volgens artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB wordt voor de toepassing van de Wet WIA het inkomen herleid tot een bedrag per kalendermaand. Op grond van het derde lid wordt bij de toepassing van het eerste lid het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. In artikel 4:1, achtste lid, van het AIB is bepaald dat het Uwv bij de vaststelling van het inkomen het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris in aanmerking kan nemen, waarbij het in dat aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris niet in aanmerking wordt genomen. In artikel 4:1, elfde lid, van het AIB is bepaald dat indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, het Uwv het inkomen op een andere wijze bepaalt.

4.4.

Niet in geschil is dat het Uwv bij de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen van appellant terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4:1, achtste lid, van het AIB. De berekeningswijze voor het relevante inkomen luidt dan als volgt:

SV-loon -/- betaalde VT +/+ opgebouwde VT -/- betaald EPS +/+ opgebouwd EPS

In het geval van appellant is het Uwv met toepassing van deze berekeningswijze tot de volgende berekening van het inkomen in de maand december 2016 gekomen:

€ 3.332,12 (SV-loon) -/- € 0,- (betaalde VT) +/+ € 147,22 (opgebouwde VT) -/- € 1.604,78 (€ 1.746,60 - € 141,82) (betaald EPS) +/+ € 153,29 (opgebouwd EPS)
= € 2.027,85.

Het geschil spitst zich toe op het bedrag van € 141,82 dat het Uwv in mindering heeft gebracht op het bedrag van € 1.746,60. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat het in deze berekening in aanmerking genomen bedrag aan in de maand december 2016 betaald EPS (€ 1.604,78) lager is dan het gedurende het jaar 2016 bedrag aan opgebouwd EPS (€ 1.746,60), omdat uit de loonstrook over december 2016 is gebleken dat appellant een bedrag van € 141,82 aan EPS heeft ingezet als extra reiskostenvergoeding. In het SV-loon is op grond van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder a van het AIB slechts een bedrag van € 1.604,78 aan betaald EPS opgenomen. Vermindering met een bedrag van € 1.746,60 zou volgens het Uwv betekenen dat een deel van het reguliere maandsalaris (SV-loon) buiten beschouwing blijft.

4.5.

In de uitspraak van 6 juni 2019 heeft de Raad overwogen dat het Uwv kon worden gevolgd in het standpunt dat in dit geval toepassing kon worden gegeven aan artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, waarbij voor VT en EPS wordt uitgegaan van de per tijdvak opgebouwde bedragen, in plaats van de uitbetaalde bedragen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de omstandigheid dat aan appellant een lager bedrag aan vakantiebijslag en EPS is uitbetaald dan het totaal van de opgebouwde bedragen, het gevolg is van de keuze die appellant heeft gemaakt om die twee bestanddelen in te zetten voor een ander doel. Appellant heeft voor de ingezette bedragen extra vakantie-uren en extra reiskostenvergoeding ontvangen, zodat hij niet wordt gevolgd in zijn stelling dat het Uwv inkomensbestanddelen verrekent die door hem niet zijn genoten.

4.6.

In wat appellant heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om thans anders te oordelen. Ook in onderhavig geding is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de omstandigheid dat aan appellant een lager bedrag aan EPS is uitbetaald het gevolg van de keuze die appellant heeft gemaakt om dat bestanddeel in te zetten voor een ander doel. Appellant heeft voor het ingezette bedrag extra reiskostenvergoeding ontvangen en heeft daarmee het ingezette inkomensbestanddeel genoten.

4.7.

Dat de berekeningswijze van het Uwv leidt tot ongerechtvaardigde verschillen tussen gevallen waarin het reguliere salaris of reguliere vakantiegeld wordt ingezet voor de aanschaf van extra vakantie-uren en de gevallen waarin het EPS wordt ingezet, is niet gebleken. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarbij wordt overwogen dat ook de inzet van regulier salaris of regulier vakantiegeld voor andere doeleinden zichtbaar zou zijn op de loonstrook van de maand waarin dit heeft plaatsgevonden, zodat het Uwv hiermee bij de berekening van de hoogte van het inkomen rekening zal houden.

4.8.

Voor het standpunt van appellant dat het Uwv de eigen vaste gedragslijn en werkwijze had moeten toepassen waarbij wordt uitgegaan van de opgave van de werkgever in de polisadministratie en niet van de loonstrook, bestaat geen grond. Het Uwv heeft toepassing gegeven aan artikel 3 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens. Hierin staat dat indien het Uwv vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, het Uwv gegevens uit een andere bron gebruikt. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat in het geval van appellant al eerder was gebleken dat de polisgegevens niet bruikbaar waren en dat niet in geschil is dat de gegevens van de loonstrook over december 2016 juist zijn. Het Uwv kan in deze toelichting worden gevolgd. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden niet de gegevens uit de polisadministratie maar uit de loonstrook van appellant gebruikt.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en M.E. Fortuin en H.O. Kerkmeester en als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B.V.K. de Louw