Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
19/4328 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Motiveringsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb: Uit de enkele aanwezigheid van X in de woning om zijn kinderen op te vangen, al dan niet geïnitieerd door een hulpverleningsinstantie, volgt op zichzelf nog niet dat appellante en X niet langer duurzaam gescheiden leven. X is immers medeopvoeder van zijn kinderen. Dit motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Appellante heeft verklaard dat de volledige garderobe en administratie van X nog in haar woning liggen. Verder heeft zij verklaard dat X in juni 2017 bij haar is teruggekomen, dat hij volledig bij haar inwoont en een eigen sleutel van de woning heeft. Tijdens het huisbezoek is in een gedeelte van een kast een complete herengarderobe aangetroffen. Uit deze bevindingen blijkt dat X en appellante in de te beoordelen periode niet meer ieder afzonderlijk een eigen leven leiden en dat zij dus niet meer duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4328 PW

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2019, 19/1474 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. van Uden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het college een nadere reactie gegeven en is vervolgens namens appellante een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Het college heeft via videobellen deelgenomen en heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante en X zijn in 2001 getrouwd en hebben samen twee kinderen. Appellante ontving een uitkering op grond van de Ziektewet tot 27 november 2015. Sinds 6 januari 2016 ontving zij bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij de daaraan ten grondslag liggende aanvraag heeft appellante verklaard dat X niet meer bij haar woont.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 3 september 2018 dat appellante zou samenwonen met haar man, dat hij niet op het adres ingeschreven staat en dat appellante zwarte inkomsten zou ontvangen uit werkzaamheden als schoonmaakster en uit markthandel, is een handhavingsspecialist van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, afdeling Controle (handhavingsspecialist) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, is appellante op 9 oktober 2018 gehoord en is aansluitend een huisbezoek afgelegd.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 10 oktober 2018 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2017 te stoppen (lees: in te trekken). Voorts heeft het college bij besluit van 1 november 2018 (besluit 2) de over de periode van 1 juni 2017 tot en met 30 september 2018 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 6 maart 2019 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college – zo begrijpt de Raad – de besluiten 1 en 2 herroepen en de bijstand van appellante over de periode van 15 juni 2018 tot en met 30 september 2018 ingetrokken en teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in deze periode niet langer duurzaam gescheiden leefde van X, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 15 juni 2018 tot en met 30 september 2018.

Intrekking

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in de te beoordelen periode duurzaam gescheiden leefde van X en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW moest worden aangemerkt.

4.4.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, aangemerkt als ongehuwd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Vaststaat dat appellante en X in de te beoordelen periode gehuwd waren en op verschillende adressen stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen.

4.6.

Het college heeft voor zijn standpunt van belang geacht dat X twee tot drie keer per week in de woning was om de kinderen te ontvangen toen appellante depressief was.

4.7.

Uit de enkele aanwezigheid van X in de woning om zijn kinderen op te vangen, al dan niet geïnitieerd door een hulpverleningsinstantie, volgt op zichzelf echter nog niet dat appellante en X niet langer duurzaam gescheiden leven. X is immers medeopvoeder van zijn kinderen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is benadeeld. De volgende overwegingen liggen aan dit oordeel ten grondslag.

4.9.

Op 9 oktober 2018 heeft appellante verklaard dat de volledige garderobe en administratie van X nog in haar woning liggen. Verder heeft zij, nadat zij was gewezen op haar verplichtingen, verklaard dat X in juni 2017 (lees: 2018) bij haar is teruggekomen, dat hij volledig bij haar inwoont en een eigen sleutel van de woning heeft. Tijdens het huisbezoek, dat aansluitend op de afgelegde verklaring heeft plaatsgevonden, is in een gedeelte van een kast een complete herengarderobe aangetroffen. Uit deze bevindingen blijkt dat X en appellante in de te beoordelen periode niet meer ieder afzonderlijk een eigen leven leiden en dat zij dus niet meer duurzaam gescheiden leven.

4.9.1.

Appellante heeft aangevoerd dat X op medisch advies tijdelijk de kinderen heeft opgevangen. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een op 3 december 2020 gedateerde verklaring van de huisarts overgelegd waarin staat dat appellante van januari 2016 tot maart 2019 onder behandeling was bij Ipsy vanwege “een recidief depressie” en dat zij naar aanleiding van haar huwelijksproblemen vaak niet in staat is de zorg voor haar kinderen en het huishouden zonder ondersteuning vol te houden en dat haar ex-echtgenoot haar daarom nog regelmatig ondersteunt. Uit deze verklaring blijkt niet dat de ondersteuning van X was beperkt tot het contact met de kinderen. Dit betekent dat wat appellante heeft aangevoerd geen doelt treft.

4.10.

Appellante heeft door niet te melden dat zij niet meer duurzaam gescheiden leefde de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. Dit betekent dat zij ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft ontvangen. Op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW was het college verplicht om de bijstand van appellante over de periode in geding in te trekken.

Terugvordering

4.11.

Appellante heeft aangevoerd dat er gelet op haar slechte gezondheidssituatie dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering.

4.12.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

4.13.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellate heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.14.

Uit 4.8 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd, met verbetering van de gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

4.15.

Gelet op 4.8 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.068 in bezwaar, € 1.068 in beroep en op € 534 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus op € 2.670,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.670,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2021.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) T. Ali

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.