Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
19/3074 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College was bevoegd een verplichting op te leggen op grond van artikel 55 van de PW. Procedure starten tegen bewindvoerder voor een toelage uit legaat. Complementariteitsbeginsel. Gerechtvaardigde schending van privacy uit artikel 8 van het EVRM. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/217
AB 2021/929
ERF-Updates.nl 2021-0069
USZ 2021/135 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
JWWB 2021/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3074 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2019, 18/1476 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak: 9 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.W.M. Mans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Namens appellant heeft mr. L.N. Hermans, opvolgend advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021. Namens appellant is mr. Hermans verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 12 januari 2016 is de moeder van appellant (moeder) overleden. Appellant heeft uit de nalatenschap van zijn moeder een bedrag van € 37.691,53 (legaat) ontvangen. In het testament van moeder is in verband met deze nalatenschap een bewind ingesteld over alle aan appellant nagelaten goederen. Het bewind is blijkens het testament mede ingesteld, omdat appellant “ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien en/of dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk aan de schuldeisers [van appellant] ten goede zouden komen. Het bewind heeft de strekking [appellant] te begeleiden bij het op verantwoorde wijze omgaan met het onder bewind gestelde vermogen en de inkomsten daaruit.”

1.2.

Appellant heeft op 7 september 2017 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Bij besluit van 9 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellant met ingang van 31 augustus 2017 bijstand toegekend. Het college heeft appellant daarbij op grond van artikel 55 van de PW de verplichting opgelegd de bewindvoerder te verzoeken tot uitbetaling over te gaan van een toelage voor de kosten van levensonderhoud. Indien de bewindvoerder hiertoe niet bereid is, dient appellant een advocaat in te schakelen voor het opstarten van een procedure tegen de bewindvoerder om zo de uitbetaling van de toelage te bewerkstelligen.

1.3.

Appellant heeft de bewindvoerder verzocht de toelage uit te betalen, maar de bewindvoerder heeft dat bij brief van 12 november 2017 geweigerd. Appellant heeft geen advocaat ingeschakeld om een procedure tegen de bewindvoerder te starten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of het college met toepassing van artikel 55 van de PW appellant de verplichting mocht opleggen een advocaat in de arm te nemen om een procedure tegen de bewindvoerder te starten (verplichting). Appellant voert aan dat de verplichting in strijd komt met het recht op privéleven van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant moet zonder inmenging van het college kunnen beschikken over het legaat op een wijze die overeenkomt met de uiterste wilsbeschikking van zijn moeder.

4.2.1.

Het college heeft niet betwist dat de verplichting inbreuk maakt op het recht op respect voor het privéleven van appellant. Ingevolge vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een inbreuk op dat recht overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van het EVRM alleen dan toegestaan indien deze berust op een voldoende duidelijke wettelijke grondslag en het gebruik van die grondslag kan worden voorzien (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 oktober 2016, 61838/10, Vukota‑Bojić v. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD006183810). Daarbij moet ook de vraag worden beantwoord of de inbreuk op het recht op respect voor het privéleven noodzakelijk is in een democratische samenleving en of die inbreuk voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.2.2.

Anders dan appellant stelt, biedt artikel 55 van de PW een voldoende wettelijke grondslag voor de verplichting en is de bevoegdheid van artikel 55 van de PW om verplichtingen op te leggen niet beperkt tot het opleggen van verplichtingen die zien op het verminderen van in de persoon gelegen problemen die arbeidsinschakeling in de weg staan. Artikel 55 van de PW kent immers drie algemene categorieën van verplichtingen. Dat betreft naast verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, ook verplichtingen die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand en verplichtingen die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Niet in geschil is dat de in geding zijnde verplichting strekt tot vermindering of beëindiging van bijstand. Dat een verplichting die strekt tot vermindering of beëindiging van bijstand ook kan inhouden dat de bijstandsgerechtigde juridische stappen onderneemt tegen zijn bewindvoerder, blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 1 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0640.

4.2.3.

De verplichting is ook noodzakelijk. De verplichting is opgelegd met als doel de rechtmatige verstrekking van bijstand. Uitgangspunt van de PW is dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander zelf in zijn bestaan voorziet. Pas als dit niet mogelijk is en er ook geen andere voorzieningen beschikbaar zijn, komt inkomensondersteuning via de bijstand in beeld. Het is in eerste instantie aan de burger om alles te doen wat nodig en mogelijk is om in zijn eigen bestaan te voorzien. Deze doelstelling kan worden aangemerkt als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. De verplichting voldoet tot slot aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste. Hierbij is van belang dat het college bij het opleggen van de verplichting heeft vermeld dat de kosten van de procedure voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Daar komt bij dat het belang van appellant, dat er in de kern op neerkomt dat hij niet tegen de wil van zijn moeder wil ingaan, minder betekenis toekomt dan hij daar aan toekent. Anders dan appellant stelt, volgt uit het testament namelijk niet dat het legaat niet is bedoeld voor levensonderhoud. Onder punt acht van hoofdstuk acht van het testament staat immers dat, voor zover de opbrengsten van het legaat niet voldoende zijn voor het levensonderhoud van appellant, de bewindvoerder bevoegd is om het onder bewind staande vermogen daartoe aan te spreken. De door appellant genoemde, in punt vijf van hoofdstuk acht neergelegde, vier specifieke gronden voor beëindiging van het bewind doen aan de in punt acht van dat hoofdstuk neergelegde bevoegdheid niet af. Tegenover het belang van appellant staan het belang van een rechtmatige toepassing van de bijstand en het achterliggende economische belang de bijstand betaalbaar te houden. De verplichting is gelet op het voorgaande proportioneel te achten. Ook is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. De bewindvoerder heeft desgevraagd meegedeeld niet tot het uitbetalen van een toelage over te willen gaan. Er rest dan niets anders dan dat hij daartoe wordt bewogen via een juridische procedure. Het ligt op de weg van appellant als zijnde degene wiens vermogen onder bewind is gesteld de bewindvoerder in die procedure te betrekken.

4.3.

Het college was gelet op 4.2.1 tot en met 4.2.3 bevoegd op grond van artikel 55 van de PW de in 1.2 genoemde verplichting op te leggen en heeft daarbij niet gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM. Het college kon ook in redelijkheid tot het opleggen van de verplichting overgaan, waarbij van belang is dat – zoals ook uit 4.2.3 volgt – de procedure tegen de bewindvoerder niet bij voorbaat kansloos is. Anders dan de bewindvoerder en appellant stellen, biedt het testament immers aanknopingspunten om het legaat aan te spreken voor het doen van uitkeringen voor levensonderhoud.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en P.W. van Straalen en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2021.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) R. de Haas