Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
19/3660 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand naar de kostendelersnorm. Commerciële huurrelatie niet aannemelijk. Geen daadwerkelijke betaling van de overeengekomen huurprijs. Daadwerkelijke betaling van de overeengekomen huurprijs is in beginsel een voorwaarde om vast te stellen dat sprake is van een commerciële relatie. Er is geen sprake van omstandigheden waardoor het niet daadwerkelijk betalen van de huurprijs appellant niet kan worden tegengeworpen. Hij heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het achterwege blijven van huurbetalingen tijdens de periode dat hij in afwachting was op het besluit op de aanvraag om bijstand. Hij heeft zijn stelling dat hem hiertoe de middelen ontbraken niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3660 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 8 maart 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2019, 18/5998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.A. Versteegh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Versteegh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Duivenvoorde.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 19 december 2017 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Diezelfde dag heeft appellant een aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant adres A als woonadres vermeld.

1.2.

In een door appellant overgelegde overeenkomst is vastgelegd dat hij op adres A vanaf

1 december 2017 een kamer huurt van X voor € 300,- per maand. Tevens is daarin opgenomen dat appellant ten tijde van de ondertekening, op 1 december 2017, geen bron van inkomsten heeft en dat hij van X uitstel van betaling krijgt totdat hij weer over inkomsten beschikt. X woonde destijds ook op adres A. Hij is de broer van een vriend van appellant.

1.3.

Het college heeft appellant maandelijks een voorschot op de aangevraagde bijstand verstrekt van € 605,91, tot in totaal een bedrag van € 2.423,64.

1.4.

Bij besluit van 18 april 2018 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 31 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2018 gegrond verklaard. Het college heeft bij het bestreden besluit aan appellant met ingang van 19 december 2017 bijstand toegekend naar de kostendelersnorm. Hierbij heeft het college X als kostendelende medebewoner aangemerkt en de hoogte van de bijstand op 50% van het wettelijk minimumloon bepaald. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat van een situatie als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW geen sprake is. Appellant heeft weliswaar een commerciële huurovereenkomst overgelegd, maar heeft nog geen huur betaald. Appellant heeft laten weten dat hij een huurachterstand van bijna € 3.000,- heeft. Volgens het college heeft appellant, gezien het voorgaande, niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden van artikel 19a, tweede lid, van de PW. Dat appellant de huur niet kon betalen en dat hij met X is overeengekomen dat hij de huur op een later moment moet betalen als hij over inkomen beschikt, acht het college niet van belang.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 19 december 2017 tot en met 18 april 2018.

4.2.

In artikel 22a, eerste lid, van de PW is bepaald hoe de bijstandsnorm wordt vastgesteld voor een bijstandsgerechtigde met een of meer kostendelende medebewoners.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat X in de te beoordelen periode niet was aan te merken als zijn kostendelende medebewoner. Appellant stelt in dat verband dat het niet betalen van de huurprijs niet direct tot gevolg dient te hebben dat de kostendelersnorm van toepassing is. Appellant heeft immers een huurachterstand opgelopen, doordat hij sinds zijn aanvraag om bijstand geen inkomen had. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de huurbetaling een cumulatieve voorwaarde is voor het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

4.5.

Wat onder kostendelende medebewoner moet worden verstaan, is geregeld in artikel 19a, eerste lid, van de PW. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:
(…)
b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;
(…).”

4.6.

In artikel 19a, tweede lid, van de PW is bepaald dat de belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.

4.7.

Over de in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW beschreven situatie heeft de wetgever in de memorie van toelichting op artikel 22a van de PW, zoals dat aanvankelijk luidde, onder de titel Commerciële relaties, het volgende naar voren gebracht (Kamerstukken II, 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 7F). “ Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huurderschap en kostgangerschap, blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is sprake van deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is het uitgangspunt dat de kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben. In de artikelsgewijze toelichting op deze wet worden de voorwaarden verduidelijkt.”

4.8.

Uit 4.4. tot en met 4.7 volgt dat dat de daadwerkelijke betaling van de overeengekomen huurprijs in beginsel een voorwaarde is om vast te stellen dat sprake is van een commerciële relatie. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waardoor het niet daadwerkelijk betalen van de huurprijs een betrokkene niet kan worden tegengeworpen, in die zin dat een commerciële relatie niet aanwezig is te achten, zodat de kostendelersnorm van toepassing is. Aan de hand van alle feiten en omstandigheden in het concrete geval moet worden beoordeeld of een dergelijke situatie zich voordoet.

4.9.

In dit geval staat vast dat appellant vanaf 1 december 2017 een kamer huurde op adres A en dat hij in de te beoordelen periode geen huur betaalde.

4.9.1.

Appellant heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het achterwege blijven van daadwerkelijke huurbetalingen. Hij heeft zijn stelling dat hem hiertoe de middelen ontbraken niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft immers maandelijks een voorschot ontvangen van € 605,91. Ter zitting heeft appellant hierover verklaard dat hij dit geld nodig had om boodschappen te doen, maar daarmee valt nog niet in te zien waarom appellant niet op zijn minst een deel van de ontvangen voorschotbedragen heeft ingezet om te voldoen aan zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van huur.

4.9.2.

Daarbij komt dat, zoals niet in geschil is, appellant tot oktober 2018 geen huur heeft betaald, terwijl hij wel een nabetaling van bijstand had ontvangen nadat hem bij het bestreden besluit alsnog bijstand was verleend vanaf 17 december 2017. Van die nabetaling heeft appellant, naast de huur over de maand oktober 2018, enkel een bedrag van € 150,- op de huurschuld afgelost.

4.9.3.

Ondanks het achterwege blijven van daadwerkelijke huurbetaling heeft X gedurende de gehele te beoordelen periode en ook daarna, in totaal gedurende ongeveer tien maanden, gedoogd dat appellant de door hem gehuurde kamer bleef bewonen. Dit is niet te rijmen met een commerciële relatie. Dat X de huurovereenkomst uiteindelijk heeft opgezegd toen met het bestreden besluit duidelijk werd dat appellant geen bijstand zou ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, doet aan het voorgaande niet af.

4.10.

Uit 4.9 tot en met 4.9.3 volgt dat de huurrelatie tussen appellant en X niet was aan te merken als een commerciële relatie.

4.11.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij niet wist welk belang zou worden gehecht aan daadwerkelijke huurbetaling en dat hij andere keuzen had gemaakt als hij dat wel had geweten. Deze grond slaagt ook niet. Deze onwetendheid van appellant maakt de feitelijke situatie niet anders dan zoals hiervoor weergegeven.

4.12.

Wat onder 4.10 en 4.11 is overwogen betekent dat het college, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, terecht de hoogte van de bij het bestreden besluit toegekende bijstand heeft bepaald met toepassing van de kostendelersnorm.

4.13.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en K.M.P. Jacobs en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen