Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
18/3877 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieningsverzoek. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Afwijzing ook niet evident onredelijk. Dat het college bij zijn eerdere besluiten geen acht heeft geslagen op de beslagvrije voet, had appellante eerder kunnen aanvoeren en is dus geen nieuw gebleken feit of omstandigheid. Zelfs als de inhoudingen bij de eerdere besluiten onjuist zijn vastgesteld, wil dat nog niet zeggen dat het evident onredelijk is dat het college het herzieningsverzoek heeft afgewezen. Daarbij wordt betrokken dat het aflossingsbedrag destijds overeenkomstig het verzoek van appellante is vastgesteld, dat het om een korte periode gaat en dat restitutie er toe zou leiden dat de schuldenlast van appellante toeneemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3877 PW

Datum uitspraak: 2 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juni 2018, 17/2204 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr W. Huntjens. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Appellante heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door mr. Huntjens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft bij besluit van 21 maart 2016 en bij besluit van 7 september 2016 aan appellante bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van geldleningen en heeft bij beide besluiten bepaald dat deze bedragen in maandelijkse termijnen worden terugbetaald door inhouding op haar bijstandsuitkering van 10% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Appellante heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 15 juni 2016 heeft appellante aan de Belastingdienst verzocht om vaststelling van de beslagvrije voet. De Belastingdienst heeft bij besluit van 30 september 2016 de beslagvrije voet van appellante met ingang van 15 mei 2016 vastgesteld op € 964,-.

1.3.

Appellante heeft het college bij e-mailbericht van 20 januari 2017, aangevuld bij brief van 10 maart 2017, en onder verwijzing naar het onder 1.2 genoemde besluit van de Belastingdienst, gevraagd om met terugwerkende kracht tot 1 maart 2016 bij de maandelijkse inhoudingen op haar uitkering rekening te houden met de hoogte van de door de Belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet.

1.4.

Bij besluit van 21 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college de maandelijkse inhoudingen op de bijstand beëindigd met ingang van 20 januari 2017. Daaraan ligt ten grondslag dat de voor appellante geldende beslagvrije voet hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Het college ziet geen aanleiding om uit te gaan van een eerdere ingangsdatum, omdat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016 en de voor toepassing van de beslagvrije voet vereiste financiële gegevens niet eerder bij het college bekend waren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep gaat over de periode van 1 maart 2016 tot 20 januari 2017 (in geding zijnde periode).

4.2.

Het verzoek van appellante van 20 januari 2017 strekt er toe dat het college zijn besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016 herziet voor de in geding zijnde periode. De Raad begrijpt de beoordeling van het college aldus dat op het herzieningsverzoek is beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3.

Toepassing van artikel 4:6 Awb betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat het college bij zijn besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016 de hoogte van inhoudingen had moeten vaststellen met inachtneming van de beslagvrije voet. Het college heeft dat niet gedaan en dient deze fout met terugwerkende kracht te herstellen. Omdat zij geen financiële ruimte had voor de inhoudingen dient het college de ingehouden bedragen aan haar te restitueren. Deze grond treft geen doel. Hiervoor is het volgende redengevend.

4.5.1.

Dat het college bij zijn besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016 geen acht heeft geslagen op de beslagvrije voet, had appellante eerder kunnen aanvoeren en is dus geen nieuw gebleken feit of omstandigheid. Het besluit van de Belastingdienst van 30 september 2016 is ook geen nieuw gebleken feit. Appellante had het besluit van de Belastingdienst van 30 september 2016 ook bij de eerstvolgende inhouding of in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 7 september 2016 kunnen overleggen.

4.5.2.

Uit 4.5.1 volgt dat het college het herzieningsverzoek van appellante mocht afwijzen onder verwijzing naar zijn besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016.

4.6.

Aan de orde is vervolgens de vraag of het bestreden besluit evident onredelijk is. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Zelfs als de inhoudingen bij de besluiten van 21 maart 2016 en 7 september 2016 onjuist zijn vastgesteld, wil dat nog niet zeggen dat het evident onredelijk is dat het college het herzieningsverzoek heeft afgewezen. Hierbij betrekt de Raad dat het aflossingsbedrag bij besluit van 7 september 2016 overeenkomstig het verzoek van appellante is vastgesteld, dat het om een korte periode gaat en dat restitutie er toe zou leiden dat de schuldenlast van appellante toeneemt.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2021.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) A.A.H. Ibrahim