Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
19/2651 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering langer dan een jaar ontheffing van de sollicitatieverplichtingen te verlenen. Advies UWV. Gedragslijn. Belang gezinshereniging is geen primair belang. Op grond van de vaste gedragslijn van het college heeft het appellante ontheven van de sollicitatieverplichting voor de periode van een jaar. Het college heeft daarbij mogen afgaan op de rapportage van de verzekeringsarts van het UWV. Het onderzoek is zorgvuldig. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom het college niet in redelijkheid tot de gedragslijn heeft kunnen komen, waarbij slechts in zeer uitzonderlijke situaties een ontheffing voor een langere periode dan een jaar wordt verleend. Bij appellante is er geen uitzonderlijke situatie. Het belang van gezinshereniging is geen bijzondere omstandigheid om van het beleid af te wijken. Dit is geen primair belang ter bescherming waarvan de bevoegdheid in het leven is geroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/2651 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 2 maart 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2019, 18/6754 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Namens appellante is verschenen mr. Achekar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college appellante met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de PW een ontheffing van de sollicitatieverplichting verleend voor de periode van 31 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2017. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 16 augustus 2017 en 7 maart 2018 hebben tussen appellante en een medewerker van de Afdeling Werk, Participatie en Inkomen van de gemeente Amsterdam (medewerker) gesprekken plaatsgevonden over de medische situatie van appellante. Tijdens het laatste gesprek heeft appellante opnieuw verzocht om een ontheffing van de sollicitatieverplichting.

1.4.

Bij besluit van 7 maart 2018 heeft het college appellante nogmaals een ontheffing van de sollicitatieverplichting verleend, ditmaal voor de periode van 7 maart 2018 tot en met 7 maart 2019.

1.5.

Namens appellante heeft mr. Achekar bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hangende dit bezwaar heeft de medewerker het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) verzocht om een Sociaal Medisch Advies uit te brengen over de belastbaarheid van appellante voor arbeid.

1.5.1.

Appellante heeft op 26 juni 2018 een verzekeringsarts van het UWV (verzekeringsarts) bezocht. De verzekeringsarts heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 9 augustus 2018 (rapportage).

1.5.2.

Bij brief van 19 september 2018 heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van de rapportage nadere gronden in te dienen. Appellante heeft hierop niet gereageerd.

1.6.

Bij besluit van 3 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 7 maart 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college onder verwijzing naar de rapportage, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Aan appellante is op grond van haar medische situatie ontheffing van de sollicitatieverplichting verleend voor de duur van een jaar. Gezien zijn vaste gedragslijn voor het verlenen van ontheffing, ziet het college onvoldoende reden om in het geval van appellante een ontheffing van langere duur dan één jaar te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat de looptijd van de in geding zijnde ontheffing van de sollicitatieverplichting op 7 maart 2019 was verstreken. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat hierna aan appellante met ingang van 8 april 2019 een ontheffing van de sollicitatieverplichting is verleend voor de duur van twee jaar. Appellante heeft ter zitting echter aangevoerd vanwege haar sociale omstandigheden belang te hebben bij een ontheffing voor de duur van minimaal drie aaneengesloten jaren. Uitsluitend een ontheffing voor ten minste drie aaneengesloten jaren biedt haar immers de mogelijkheid om haar echtgenoot naar Nederland te laten overkomen.

4.2.

In artikel 9, eerste lid, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de PW biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) komt de bijstandverlenende instantie beoordelings- en beleidsvrijheid toe bij de bepaling van de termijn van een tijdelijke ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, nu de PW, genoemde verplichtingen. Het college hanteert in dit kader de vaste gedragslijn, dat een ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, waaronder de sollicitatieverplichting, voor niet langer dan een jaar wordt verleend. Dit, omdat de gemeente iedere betrokkene minimaal eens per jaar wil spreken om te bezien of in de situatie van de betrokkene veranderingen zijn opgetreden. Slechts in uitzonderlijke situaties kan een ontheffing voor een periode van langer dan een jaar worden verleend.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet uitsluitend had mogen baseren op de rapportage, maar dat hij nader onderzoek had moeten laten verrichten naar de medische situatie van appellante. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Een bijstandverlenende instantie mag zijn besluiten baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het UWV. De bijstandverlenende instantie moet zich er dan wel van vergewissen of het advies op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen, geen onjuistheden bevat en of het deugdelijk is gemotiveerd. Zie de uitspraak van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8145.

4.4.2.

Het in de rapportage vervatte advies van de verzekeringsarts voldoet aan deze eisen van zorgvuldigheid. De verzekeringsarts heeft appellante op 26 juni 2018 persoonlijk gezien en gesproken, een anamnese verricht en kennis genomen van de door appellante overgelegde medische informatie. Appellante heeft de juistheid van die medische informatie niet betwist. Voorts heeft de verzekeringsarts informatie bij de behandelend sector opgevraagd, maar zij heeft deze informatie, ondanks herhaaldelijk rappel, niet verkregen. Uit de rapportage komt naar voren dat appellante een combinatie van vele medische klachten en beperkingen heeft, waarvoor uitgebreide behandeling en begeleiding plaatsvindt en waarvan de prognose onzeker is. Op basis van de beschikbare medische gegevens heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat dit zorgtraject prioriteit heeft en dat appellante zeker een jaar niet belastbaar is met algemeen geaccepteerde arbeid. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat zij ten tijde van de beslissing op bezwaar meer of andere klachten had dan toen bekend en onderzocht waren. Ook heeft appellante geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht, die hadden moeten leiden tot het doen van nader onderzoek van de bij de verzekeringsarts bekende klachten, waarvoor appellante op dat moment nog in behandeling was.

4.5.

Verder is in geding is het antwoord op de vraag of het college op goede gronden heeft besloten aan appellante een ontheffing van de sollicitatieverplichting te verlenen voor de duur van een jaar in plaats van de door appellante gewenste periode van drie jaar of langer. De daartoe strekkende beroepsgrond van appellante slaagt niet.

4.5.1.

In de omstandigheden van appellante heeft het college, onder verwijzing naar zijn vaste gedragslijn zoals vermeld in 4.3, aanleiding gezien om haar voor een jaar te ontheffen van haar sollicitatieverplichting. Het college heeft ter zitting deze vaste gedragslijn nader toegelicht en te kennen gegeven dat slechts in zeer uitzonderlijke situaties een ontheffing voor langer dan een jaar wordt verleend. Hierbij gaat het uitsluitend om zodanig ernstige medische situaties dat op grond daarvan duidelijk is te voorzien dat de betrokkene gedurende een periode van langer dan een jaar niet inzetbaar is voor arbeid en daarmee niet belastbaar is voor arbeid. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom het college niet in redelijkheid tot deze gedragslijn heeft kunnen komen. Gelet op de door de verzekeringsarts uitgebrachte rapportage is een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in de gedragslijn, bij appellante niet aan de orde. Uit de rapportage kan weliswaar worden afgeleid dat appellante als gevolg van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GBM-situatie) niet belastbaar was voor arbeid en dat deze situatie zeker nog een jaar zou duren. Uit de rapportage blijkt echter ook dat zowel de medische prognose van appellante als de prognose van haar functionele mogelijkheden (nog) onzeker waren. Het college had daarom voldoende reden om na een jaar te willen bezien of in de situatie van appellante veranderingen waren opgetreden en heeft daarmee gehandeld in overeenstemming met zijn vaste gedragslijn. De tegenwerping van appellante dat er, anders dan uit de rapportage volgt, geen behandeling (meer) is die haar medische situatie nog zou kunnen verbeteren, doet hier niet aan af. Appellante heeft hiervoor immers geen enkele medische onderbouwing gegeven. Ten slotte vormt het door appellante aangevoerde, niet in de gedragslijn voorziene, belang van gezinsvereniging geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college met analoge toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten afwijken van zijn vaste gedragslijn door een langere termijn van ontheffing te hanteren. Dit betreft immers een afgeleid gevolg en niet een primair belang ter bescherming waarvan de bevoegdheid in het leven is geroepen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2021.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) W.E.M. Maas