Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
19/5234 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op geld waardeerbare activiteiten. Aanwezigheid op werkplek tijdens reguliere arbeidsuren. De aanwezigheid van een betrokkene op zijn werkplek tijdens reguliere arbeidsuren rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5234 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 november 2019, 19/907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 2 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.T. Hagebols.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 16 november 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellant heeft van 18 juli 2018 tot 1 september 2018 tegen betaling werkzaamheden verricht bij autobedrijf X (autobedrijf). Hij heeft zijn werkconsulent verteld dat hij daar twintig uur per week werkzaam was, verdeeld over de dinsdag en de vrijdag. Omdat appellant desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op de andere dagen van de week geen werkzaamheden wilde verrichten in het kader van een re-integratietraject, zijn sociaal rechercheurs van Team Werk en Handhaving van Werk en Uitkering ’s-Hertogenbosch een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van appellant. De sociaal rechercheurs hebben van 31 juli 2018 tot en met 9 oktober 2018 waarnemingen verricht bij het autobedrijf. Zij hebben daarbij de auto van appellant veelvuldig aangetroffen bij het autobedrijf, ook op dagen dat appellant volgens de door hem ondertekende verantwoordingsformulieren niet aan het werk zou zijn geweest. De sociaal rechercheurs hebben appellant tijdens een gesprek op 22 oktober 2018 met deze waarnemingen geconfronteerd. Appellant heeft tijdens dat gesprek onder meer verklaard dat hij de enige is die de auto gebruikt. Hij was wel in het autobedrijf aanwezig, maar hij werkte niet. De eigenaar van het autobedrijf is een vriend van hem. Hij bezoekt zijn vriend.

1.3.

De in 1.2 genoemde onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 30 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2019 (bestreden besluit) de bijstand van appellanten in te trekken met ingang van 1 augustus 2018 en de in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 30 september 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.337,77 van appellanten terug te vorderen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de waarnemingen en de verklaring van appellant, zoals onder 1.2 weergegeven, volgt dat appellant op andere dan de door hem opgegeven arbeidsuren, aanwezig was op zijn gewone werkplek bij het autobedrijf. De aanwezigheid van een betrokkene op zijn werkplek tijdens reguliere arbeidsuren rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2890). In dit geval hebben appellanten het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Appellanten hebben ook in hoger beroep, na in de gelegenheid te zijn gesteld het tegendeel aannemelijk te maken, volstaan met de enkele stelling dat appellant in dienst is getreden bij een vriend, welke vriend hij ook buiten de opgegeven arbeidsuren regelmatig bezocht. Deze enkele niet onderbouwde stelling is onvoldoende om de genoemde vooronderstelling te weerleggen. De grond dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door appellant niet mee te delen dat de enkele aanwezigheid buiten werktijden tot problemen zou kunnen leiden, bouwt voort op de niet onderbouwde stelling dat hij alleen zijn vriend bezocht en behoeft om die reden geen verdere geen bespreking.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2021.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) B. van Dijk