Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:3319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2021
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
21/216 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is ten onrechte van haar taken en verantwoordelijkheden wat betreft de personeelsplanning ontheven. Het college heeft betrokkene weliswaar ontheven van de taak personeelsplanning, die het overgrote deel van haar werkzaamheden omvatte, maar heeft haar geen andere taken opgedragen en heeft haar evenmin opgedragen om tijdelijk niet tot haar functie behorende werkzaamheden te verrichten. Ook toen betrokkene vanaf 26 augustus 2019 ging re-integreren, is haar niet opgedragen om, in aanvulling op de haar ontnomen taken, aanvullende werkzaamheden te verrichten. In het kader van de re-integratie heeft betrokkene zich beperkt tot het uitvoeren van de nog resterende werkzaamheden uit haar eigen takenpakket. Door deze wijze van besluitvorming van het college was voor betrokkene onduidelijk of en in hoeverre de ontheffing van de taak personeelsplanning als tijdelijk was bedoeld en ook welke andere werkzaamheden zij zou moeten verrichten. Het gevolg van deze ontheffing ‘sec’ is dat betrokkene gedurende een aanzienlijke periode is gaan ‘zweven’, wat volgens vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2022/47
TAR 2022/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 216 AW, 21/1114 AW

Datum uitspraak: 30 december 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2020, 19/5407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. L. van de Vrugt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. de Waard, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens het college is een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2021. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Vrugt, B.J. Andriessen en G. Van der Sprong. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep

2.1.

Betrokkene was in dienst van de gemeente Utrecht. Met ingang van januari 2014 was zij werkzaam in de functie van [functie] bij het organisatieonderdeel [onderdeel] . Zij vormde samen met vijf andere leidinggevenden het managementteam [teamonderdeel] . Betrokkene was onder meer belast met de taak van personeelsplanning [personeelsonderdelen] van de [sectie A] ( [A] ). Deze taak omvatte ongeveer 80% van haar werkzaamheden.

2.2.

In maart 2018 is onder leiding van de directeur [onderdeel] (directeur) het project Handig Plannen gestart, met als doel het capaciteitsberekening- en planningsproces bij de [A] te verbeteren. Betrokkene was als lid van het capaciteitsteam betrokken bij het project.

2.3.

Op 2 juni 2019 heeft betrokkene een e-mailbericht aan de directeur gestuurd. Daarin heeft zij laten weten dat zij geen ruimte meer voelt om haar werk goed te kunnen doen. Haar observatie is dat de weerstand tegen planning weer toeneemt en dat de verbeteringen en stappen vooruit niet gezien worden. Er is geen vertrouwen en geen ruimte om het vertrouwen weer op te bouwen. Volgens betrokkene is de kern van het probleem niet de planning, het probleem komt bij de planning tot uiting. Zij heeft het bericht afgesloten met de boodschap dat het qua gezondheid slecht met haar gaat en dat zij niet weet hoe lang zij dit nog volhoudt. Op 3 juni 2019 heeft betrokkene zich ziek gemeld.

2.4.

Op 14 juni 2019 en 21 juni 2019 hebben betrokkene en de directeur elkaar gesproken. Er zijn geen verslagen van deze gesprekken voorhanden. Bij e-mailbericht van 27 juni 2019 heeft de directeur aan alle medewerkers van het cluster [teamonderdeel] , inclusief het managementteam, laten weten te hebben besloten de taken ten aanzien van de personeelsplanning bij betrokkene weg te halen, dit in het belang van de gezondheid van betrokkene en dat van de organisatie.

2.5.

Bij e-mailbericht van 30 juni 2019 heeft de directeur betrokkene op de hoogte gesteld van zijn besluit om haar taken en verantwoordelijkheden wat betreft de personeelsplanning elders te beleggen. Aan dit besluit heeft de directeur ten grondslag gelegd dat betrokkene er onvoldoende in slaagt om de van haar gevraagde stevige positie ook echt te nemen. De directeur heeft geconstateerd dat dit bij betrokkene leidt tot spanning en stress en uiteindelijk tot uitval. Hij heeft verwezen naar de cruciale fase die voor de organisatie aanbreekt en geconcludeerd dat het beter is voor de organisatie en voor betrokkene als hij de werkzaamheden met betrekking tot de personeelsplanning elders belegt. Tot slot heeft de directeur laten weten graag met betrokkene in gesprek te gaan om te bezien hoe in de nieuwe situatie tot een passend takenpakket voor haar kan worden gekomen.

2.6.

Bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2019 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene er blijk van heeft gegeven niet tegen de planningstaak te zijn opgewassen, wat volgt uit het feit dat betrokkene wegens werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid voor langere tijd (gedeeltelijk) verhinderd is haar functie te vervullen. Om de afspraken uit het verbetertraject van de personeelsplanning en de continuïteit te borgen was er geen andere keuze dan de verantwoordelijkheid voor de personeelsplanning bij betrokkene weg te halen, aldus het college.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 30 juni 2019 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe – kort weergegeven – het volgende overwogen. Ten tijde van het bestreden besluit was er geen sprake van een dermate lange periode van arbeidsongeschiktheid dat een (blijvende) ontheffing van taken gerechtvaardigd was. Er is verder onvoldoende grondslag voor de constatering in het bestreden besluit dat betrokkene niet naar behoren functioneerde op het onderdeel personeelsplanning of anderszins. De rechtbank heeft oog voor het dienstbelang van het college, de continuïteit van de organisatie en de implementatie van de afspraken uit het project Handig Plannen, maar om dit belang te kunnen veiligstellen was ontheffing van betrokkene van de taak personeelsplanning geen noodzakelijke ingreep. In dit geval had het college bij afweging van alle betrokken belangen een minder ingrijpende maatregel kunnen en ook moeten inzetten.

4. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 15:11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht. Daarin staat dat de ambtenaar door burgemeester en wethouders kan worden verplicht in het belang van de dienst tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, of tijdelijk een andere functie waar te nemen.

4.2.

Het college heeft betrokkene weliswaar ontheven van de taak personeelsplanning, die het overgrote deel van haar werkzaamheden omvatte, maar heeft haar geen andere taken opgedragen en heeft haar evenmin opgedragen om tijdelijk niet tot haar functie behorende werkzaamheden te verrichten. Ook toen betrokkene vanaf 26 augustus 2019 ging re-integreren, is haar niet opgedragen om, in aanvulling op de haar ontnomen taken, aanvullende werkzaamheden te verrichten. In het kader van de re-integratie heeft betrokkene zich beperkt tot het uitvoeren van de nog resterende werkzaamheden uit haar eigen takenpakket.

4.3.

Door deze wijze van besluitvorming van het college was voor betrokkene onduidelijk of en in hoeverre de ontheffing van de taak personeelsplanning als tijdelijk was bedoeld en ook welke andere werkzaamheden zij zou moeten verrichten. Het gevolg van deze ontheffing ‘sec’ is dat betrokkene gedurende een aanzienlijke periode is gaan ‘zweven’, wat volgens vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is.1

4.4.

Het betoog van het college dat het opdragen van vervangende werkzaamheden door de ziekte van betrokkene niet is gelukt, maakt het overwogene onder 4.3 niet anders. Voor zover de ziekte van betrokkene aan het opdragen van andere werkzaamheden in de weg stond, was er immers helemaal geen aanleiding om betrokkene van de taak personeelsplanning te ontheffen, maar had het voor de hand gelegen in plaats daarvan te voorzien in waarneming van haar functie. Dan hadden zo nodig op termijn de mogelijkheden tot het gaan verrichten van andere werkzaamheden kunnen worden bezien.

4.5.

Conclusie is dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 30 juni 2019 heeft herroepen. Het hoger beroep van het college slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene behoeft daarmee geen bespreking meer.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.496,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.496,-;

  • -

    bepaalt dat van het college een griffierecht van € 541,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.C.F. Talman en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.E. van Donk

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BA3313.