Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
18/5980 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Oplegging bestuurlijke boete. Appellante is als thuiswonende studerende aangemerkt. De controleurs waren bevoegd tot het doen van onderzoek naar de woonsituatie van appellante. De redelijke termijn is met twee jaar en zeven maanden overschreden. Deze is geheel toe te rekenen aan de minister. De Raad ziet in de overschrijding aanleiding voor een vermindering van de boete met 30%, wat neerkomt op een verlaging met een bedrag van € 297,52.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5980 WSF

Datum uitspraak: 17 februari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018, 17/3874 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Ceylan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ceylan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond vanaf 14 juni 2013 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] . Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 oktober 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 14 juli 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek hebben zij een rapport opgemaakt.

1.3.

Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de minister op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport de vanaf oktober 2013 toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 oktober 2013 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over de periode van oktober 2013 tot en met juli 2014 te veel betaalde bedrag van € 1.983,46 is daarbij van haar teruggevorderd. Bij besluit van 6 november 2014 heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 juli 2014 ongegrond verklaard. De minister heeft bij besluit van 12 november 2014 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 991,73. Deze boete is gehandhaafd bij besluit van 18 augustus 2017 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de controleurs die het huisbezoek hebben afgelegd niet bevoegd waren tot het doen van onderzoek. Ter zitting heeft appellante subisidair recente omstandigheden geschetst die aanleiding moeten zijn het bedrag van de boete te matigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de controleurs bevoegd waren tot het doen van onderzoek naar de woonsituatie van appellante, of de resultaten van dat onderzoek voldoende zijn om het bestreden besluit op te baseren en of de minister aanleiding had behoren te zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

4.2.

Anders dan appellante heeft gesteld, is er geen aanleiding de controleurs niet bevoegd te achten tot het doen van onderzoek. Nu vaststaat dat de controleurs ten tijde van het onderzoek – nog steeds – als fraudeconsulent en sociaal rechercheur in dienst waren bij de gemeente Amersfoort kunnen de resultaten van het onderzoek aan het opleggen van de boete ten grondslag worden gelegd. In de enkele wijziging van de naam van de gemeentelijke afdeling waar de controleurs ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanwijzingsbesluit van 28 februari 2012, Stcrt. 2012, nr. 8230, te werk waren gesteld na een reorganisatie wordt geen aanleiding gezien om tot ander oordeel te komen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

4.3.

Voor zover appellante voor haar overige hogerberoepsgronden heeft verwezen naar wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd, moet worden vastgesteld dat de rechtbank die gronden heeft besproken en heeft geoordeeld dat die gronden niet leiden tot vernietiging of wijziging van het bestreden besluit. Dat oordeel is voldoende gemotiveerd. Appellante heeft niet aangegeven waarom dat oordeel niet juist zou zijn. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel.

5.1.

Uit het betoog van appellante ter zitting, strekkende tot matiging van de boete, is duidelijk geworden dat het jaar 2020, waarin zij als verpleegkundige op verschillende manieren is geconfronteerd met het coronavirus, waarin ook haar opa, voor wie zij (mede) de zorg had is overleden, en waarin studiefinancieringsperikelen haar hebben beziggehouden, haar behoorlijk heeft aangegrepen. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat de boete niet (langer) evenredig kan worden geacht. Voor een vernietiging of matiging van de boete op deze grond wordt dan ook geen aanleiding gezien. De Raad ziet wel aanleiding te beoordelen of de boete moet worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.2.

Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele rechtsgang.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

5.4.

In dit geschil heeft de procedure vanaf 1 augustus 2014 (ontvangst brief voornemen boete) tot de datum van deze uitspraak ongeveer zes jaar en zeven maanden geduurd. Voor een langere behandelingsduur dan hiervoor beschreven bestaat geen rechtvaardiging.

5.5.

Uit 5.4 volgt dat de redelijke termijn in deze procedure met twee jaar en zeven maanden is overschreden. Deze is geheel toe te rekenenen aan de minister. De Raad ziet in de overschrijding aanleiding voor een vermindering van de boete met 30%, wat neerkomt op een verlaging met een bedrag van € 297,52.

6. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover zij betrekking heeft op de hoogte van de boete. Voor het overige wordt de uitspraak bevestigd. De Raad zal het bedrag van de boete vaststellen op € 694,21 (€ 991,73 minus € 297,52).

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete heeft gehandhaafd op € 991,73;

- stelt de hoogte van de boete vast op € 694,21 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 augustus 2017;

- bepaalt dat de minister het voor beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) E.M. Welling