Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:3070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2021
Datum publicatie
09-12-2021
Zaaknummer
18/1981 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw aan de woning terecht afgewezen. Door appellanten niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aankoop van de woning geen geschikte woningen beschikbaar waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2022/10
USZ 2022/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1981 WMO15

Datum uitspraak: 8 december 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 februari 2018, 17/2640 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens [betrokkene] (betrokkene) heeft mr. F.G.P. van Kimmenade hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[betrokkene] is overleden. [naam 1] heeft namens appellanten laten weten dat de procedure wordt voorgezet.

Mr. S.G.C. van Ingen heeft zich als opvolgend gemachtige gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021. Namens appellanten is verschenen [naam 2] , bijgestaan door mr. Van Ingen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M.C. Tielen.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 15 augustus 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college – beslissend op bezwaar – de aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw aan de woning op het adres [adres] , [woonplaats] , afgewezen. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 2.8, aanhef en onder g, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Peelgemeente Helmond 2015 (Verordening) en berust op het standpunt dat [betrokkene] haar hulpvraag had kunnen voorkomen. Zij is overgegaan tot aankoop van een woning die voor haar ongeschikt is, terwijl er naar alle waarschijnlijkheid in [woonplaats] of in een van de nabij gelegen wijken genoeg geschikte(re) woningen beschikbaar waren. Als betrokkene tijdig contact had opgenomen met de gemeente had deze in het vinden van een geschikte woning kunnen bemiddelen. Voor de verdere feiten en omstandigheden en het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Volgens vaste rechtspraak ligt het in een situatie waarin iemand zich na de aankoop van een woning meldt bij het college voor een woningaanpassing aan die woning, op de weg van die persoon om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat ten tijde van de aankoop van de woning geen geschikte woningen beschikbaar waren. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2951, en 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:944.

2.2.

[betrokkene] heeft kort voor de aankoop van de woning aan de [adres] , namelijk op 26 oktober 2016, gebeld met het college om te informeren naar de mogelijkheden om een aan te kopen woning aan te passen aan haar beperkingen. Daaraan voorafgaand was er al wel contact tussen de kinderen van mevrouw en de gemeente, maar dat ging over andere zaken, zoals een rollator en huishoudelijke hulp, niet over de aankoop van een woning. [betrokkene] heeft vervolgens de woning aan de [adres] aangekocht en zich daarna gemeld bij het college voor een woningaanpassing aan die woning. Dat was op 23 november 2016. Anders dan appellanten veronderstellen, ligt het onder deze omstandigheden gelet op de in 2.1 aangehaalde rechtspraak niet op de weg van het college, maar op de weg van appellanten om aannemelijk te maken dat toen geen geschikte woningen beschikbaar waren. Dit betekent ook dat het college, anders dan appellanten veronderstellen, geen onderzoek heeft hoeven doen naar de beschikbaarheid van geschikte woningen. Het betoog van appellanten dat het college mevrouw tijdens het hiervoor genoemde telefoongesprek heeft verteld dat eerst de woning moest worden gekocht voordat over de woningaanpassing kon worden gesproken, geeft geen aanleiding om anders te oordelen over de bewijslastverdeling tussen partijen. Het college heeft dit namelijk van meet af aan betwist en appellanten hebben dit onvoldoende onderbouwd.

2.3.

Appellanten hebben met de overgelegde stukken en de gegeven toelichting niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de melding geen geschikte woningen beschikbaar waren. Hoogstens kan uit die gegevens worden afgeleid dat de ingeschakelde makelaar geen woningen kon vinden die aan een zoekopdracht van appellanten voldeed. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat een geschikte woning beschikbaar was, dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [betrokkene] haar hulpvraag had kunnen voorkomen en dat het college haar aanvraag op grond van artikel 2.8, aanhef en onder g, van de Verordening terecht heeft afgewezen. Het betoog van appellanten dat deze afwijzing in strijd is met de verplichting van het college in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 om een maatwerkvoorziening te verstrekken die een passende bijdrage levert aan een situatie waarin iemand in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, is in dit geval geen reden om er anders over te oordelen. In dit geval was er immers geen verplichting voor het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken.

2.4.

Uit 2.1 tot en met 2.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en E.J. Otten en D.A. Verburg als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021.

(getekend) J. Brand

(getekend) B.H.B. Verheul