Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:28

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
18/255 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Laattijdige aanvraag. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of appellant op zijn achttiende verjaardag jonggehandicapte was. De daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De rechtbank heeft het inzichtelijke gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep een brief overgelegd van medisch adviseur Bernaert en arbeidsdeskundige Houberg. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is echter onvoldoende informatie beschikbaar om de belastbaarheid van appellant op de datum in geding vast te stellen. De enkele stelling in de genoemde brief dat dit wel het geval is, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad ziet verder geen aanleiding een deskundige in te schakelen zoals door appellant verzocht. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 255 WAJONG

Datum uitspraak: 7 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 december 2017, 17/2020 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin en arbeidsdeskundige J.A.M. Houberg. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1981, heeft met een op 3 november 2015 ontvangen formulier een Wajong-aanvraag ingediend. Bij besluit van 28 juli 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant op achttienjarige leeftijd geen ingezetene was. Bij voornemen van 23 januari 2017 heeft het Uwv appellant laten weten de grondslag van deze afwijzing te wijzigen naar het niet zijn van jonggehandicapte op achttienjarige leeftijd.

1.2.

Bij besluit van 6 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 28 juli 2016 gemaakte bezwaar, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag waarin is geconcludeerd dat er onvoldoende medische gegevens beschikbaar zijn om een oordeel te kunnen geven over de arbeidsongeschiktheid van appellant op zijn achttiende jaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de omstandigheid dat de medische situatie in het verleden door tijdsverloop niet meer verantwoord is vast te stellen, volgens vaste rechtspraak van de Raad voor risico moet blijven van degene die alsnog een aanvraag indient. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de daaruit getrokken conclusie onderschreven kan worden. Terecht is aangenomen dat appellant op zijn achttiende verjaardag geen jonggehandicapte was. De overgelegde medische gegevens zijn te summier om de belastbaarheid op die leeftijd vast te kunnen stellen. Veel van deze gegevens zien op de periode ver na zijn achttiende verjaardag. Uit de informatie kan wel worden afgeleid dat appellant op zijn achttiende verjaardag psychische klachten had, maar op niet is vast te stellen tot welke beperkingen dat moet leiden en in welke mate. De Functionele mogelijkhedenlijst (FML) die psychiater √úlkeroglu heeft opgesteld leidt niet tot een ander oordeel omdat deze niet is voorzien van een nadere motivering, nog daargelaten dat bij een beoordeling van het arbeidsvermogen, zoals nu aan de orde, geen FML wordt opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende medisch objectiveerbare gegevens voorhanden die zien op achttienjarige leeftijd, op grond waarvan arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid op achttienjarige leeftijd wel zorgvuldig vastgesteld kan worden. Uit de medische stukken blijkt volgens appellant duidelijk dat hij in zijn jeugd ernstig is verwaarloosd en dat hij mede hierdoor identiteitsproblemen, een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, borderline, een narcistische persoonlijkheidsstoornis, een persistente psychische stoornis, een ernstige functioneringsstoornis, persistente depressieve stemming en gevoelens van radeloosheid heeft. Uit het rapport van 14 maart 2017 van psychiater F. √úlkeroglu blijkt dat appellant in december 1997 en in augustus 1999, vlak voor zijn achttiende verjaardag, door deze psychiater is gezien en beoordeeld. De psychiater heeft gesteld dat bij het psychiatrisch onderzoek van 27 augustus 1999 is vastgesteld dat in vergelijking met het onderzoek in 1997, de klachten van appellant voortduren en zijn toegenomen. Psychiater Dijkhuizen heeft in zijn brief van 10 april 2017 ook uitdrukkelijk verklaard dat appellant al op achttienjarige leeftijd psychische problemen had die voortduren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van 12 maart 2020 van medisch adviseur A.H.M. Bernaert en arbeidsdeskundige Houberg overgelegd. Zij hebben geadviseerd een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 5 maart 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De aanvraag van appellant moet beschouwd worden als een zogenoemde laattijdige aanvraag. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als door tijdsverloop de medische situatie in het verleden niet meer verantwoord kan worden vastgesteld, dit op grond van vaste rechtspraak (waaronder de door de rechtbank genoemde uitspraken) voor rekening van appellant moet komen.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of appellant op zijn achttiende verjaardag jonggehandicapte was. De daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Dat appellant bekend is met verschillende ernstige psychische klachten, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderkend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter toegelicht dat de gegevens van psychiater √úlkeroglu geen duidelijkheid bieden over op welke punten en in welke mate beperkingen op het psychisch vlak op achttienjarige leeftijd zijn vast te stellen. De gegevens vormen geen duidelijk samenhangend geheel. Het lijkt te gaan om losse aantekeningen of opmerkingen. Aangegeven is dat het gaat om gegevens uit het archief. Niet duidelijk is wanneer welk onderzoek is verricht, wat de objectief medische bevindingen in de relevante periode waren en wat gegevens uit latere jaren zijn. De gegevens zijn te fragmentarisch. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met psychiater Dijkhuizen aangenomen dat de persoonlijkheidsproblemen niet recent zullen zijn ontstaan en dat psychische problemen voor en op het achttiende jaar plausibel zijn. Met de beschikbare gegevens is echter de belastbaarheid van appellant op het achttiende jaar niet goed vast te stellen. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de actuele klachten en beperkingen niet hetzelfde zijn als op het achttiende jaar. Er zijn inmiddels zestien/zeventien jaar verstreken en appellant heeft in de tussenliggende jaren veel meegemaakt, waaronder het overlijden van zijn vader en de verantwoordelijkheid die hij daarna heeft gekregen voor zijn familie en de problemen die hij daar mee heeft. De rechtbank heeft het inzichtelijke gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht onderschreven.

4.4.

Appellant heeft in hoger beroep een brief overgelegd van medisch adviseur Bernaert en arbeidsdeskundige Houberg. In deze brief staat dat uit de (medische) stukken in het dossier blijkt dat appellant door de jaren heen voor verschillende problemen is gezien door de behandelende- en onderzoekende sector en dat de problematiek van appellant meerdere keren tot de conclusie heeft geleid dat hij niet tot werken in staat is. Benadrukt wordt dat in de verschillende medische rapportages voldoende aanknopingspunten en conclusies staan verwoord die forse problematiek rond het achttiende jaar voldoende onderbouwen. Het wordt onzorgvuldig geacht dat telkens dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep de situatie van appellant heeft beoordeeld. Er zou een expertise onderzoek door een psychiater moeten worden gedaan.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant in de verschillende stadia van de procedure heeft beoordeeld niet met zich brengt dat het onderzoek onzorgvuldig is. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gereageerd op de door appellant naar voren gebrachte gronden en de door appellant ingebrachte informatie is zorgvuldig en afdoende gemotiveerd bij de medische beoordeling betrokken. Zoals hiervoor is overwogen, is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderkend dat de persoonlijkheidsproblemen niet van recente datum zijn en dat op het achttiende levensjaar van appellant al sprake was psychische problematiek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is echter onvoldoende informatie beschikbaar om de belastbaarheid van appellant op de datum in geding vast te stellen. De enkele stelling in de onder 4.4. genoemde brief dat dit wel het geval is, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad ziet verder geen aanleiding een deskundige in te schakelen zoals door appellant verzocht. Het betreft hier een laattijdige aanvraag die het vaststellen van de exacte medische situatie in een ver verleden bemoeilijkt. Dit komt naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) voor risico van de laattijdige aanvrager.

4.5.

De overwegingen in 4.3. tot en met 4.5. leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van

B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2021

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) B.V.K. de Louw