Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
03-11-2021
Zaaknummer
20/3546 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een besluit vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2021/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3546 AW

Datum uitspraak: 28 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 september 2020, 19/7911 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Mulder hoger beroep ingesteld

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mulder en mr. B.S. Tibben. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.B. Honders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant was tot 1 mei 2016 werkzaam bij de Belastingdienst.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris de afwijzing van het verzoek van appellant om ontslag met toekenning van een stimuleringspremie gehandhaafd.

1.4.

Bij besluit van 18 juli 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2019 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 26 oktober 2016 met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

4.2.

Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.

4.3.

Appellant heeft aan zijn verzoek de uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CVB:2018:3873, ten grondslag gelegd. De Raad oordeelde dat de stimuleringspremie ten onrechte werd geweigerd, nu vaststond dat betrokkenen door de stimuleringsmaatregelen ertoe zijn bewogen om hun ontslagverzoek in te dienen.

Op grond van vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3811, vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten.

4.4.

Partijen zijn het erover eens dat de situatie van appellant dezelfde is als die van de betrokkenen in de zaak waarin de Raad op 22 november 2018 uitspraak heeft gedaan. Feit blijft echter dat appellant niet bij de rechter is opgekomen tegen het besluit van 26 oktober 2016. Herroeping van jegens een individuele betrokkene genomen besluit maakt niet dat het bestuursorgaan ten aanzien van anderen die zich in een mogelijk vergelijkbare situatie hebben bevonden, gehouden is om na een beroep op artikel 4:6 van de Awb te beoordelen of er aanleiding is om eenmaal rechtens onaantastbare besluitvorming te herzien. De staatssecretaris heeft dus met juistheid geconcludeerd dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is.

4.5.

De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Van bijzondere omstandigheden die het bestreden besluit evident onredelijk maken is in dit geval niet gebleken.

4.6.

De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant dus vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden mogen afwijzen. De Raad merkt daarbij nog wel op dat hem, nu het geval van appellant als één van de weinige gevallen vergelijkbaar is met de zaken waarop de uitspraak van 22 november 2018 betrekking had, niet is gebleken van beletselen om uit een oogpunt van coulance ook jegens appellant uitvoering te geven aan wat de Raad in genoemde uitspraak heeft overwogen. In het enkele gegeven dat de staatssecretaris het, zo is althans gebleken uit wat namens deze ter zitting van de Raad is verklaard, niet eens is met de meergenoemde uitspraak van 22 november 2018, ziet de Raad in elk geval geen beletsel als zojuist bedoeld. Dit alles doet aan het ontbreken van een juridische gehoudenheid tot tegemoetkoming aan appellant evenwel niet af. Conclusie is daarmee dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Stumpel