Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
19/4043 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen berust op onvoldoende deugdelijke medische grondslag. Nu het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste medische grondslag, wordt geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag op onjuiste beperkingen is gebaseerd en de geselecteerde functies niet onverkort passend zijn. Vernietiging bestreden besluit. De Raad draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4043 WIA

Datum uitspraak: 28 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 augustus 2019, 18/1440 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . Namens het Uwv heeft mr. A.I. Damsma via videobellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als logistiek medewerker voor ongeveer 42 uur per week. Op 10 december 2010 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met voetletsel na een bedrijfsongeval. Bij besluit van 4 december 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 7 december 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Appellant heeft hier geen beroep tegen ingesteld.

1.2.

Met een brief van 1 september 2017 is namens appellant verzocht om een herbeoordeling. Hierbij is te kennen gegeven dat appellant na december 2012 nog diverse keren is geopereerd en zijn medische situatie in ieder geval vanaf de operatie op 22 oktober 2013 is verslechterd. Bij het verzoek zijn diverse medische stukken gevoegd, waaronder een rapport van orthopedisch chirurg A.E.B. Kleipool (Kleipool) van 14 juli 2017. Naar aanleiding van het verzoek om herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per 22 oktober 2013, maar wel per 18 september 2015. De per 18 september 2015 geldende beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 oktober 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 september 2015 berekend. Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 22 oktober 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen. Daarnaast heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 18 september 2015 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 oktober 2017. Op 1 mei 2018 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde FML opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen aangepast, geconcludeerd dat de geselecteerde functies passend zijn en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld op minder dan 35%. Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een rapport ingediend van neuroloog J.U.R. Niewold (Niewold) van 4 januari 2018. Naar aanleiding van dit rapport heeft een tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 januari 2019 een gewijzigde FML opgesteld, waarin aanvullend is opgenomen dat appellant niet kan werken in een koude omgevingstemperatuur (beoordelingspunt 3.2). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de wijziging van de FML geen invloed heeft op de geschiktheid van de geselecteerde functies. Naar aanleiding van een aanvullend rapport van Niewold van 9 februari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 25 februari 2019 opnieuw een gewijzigde FML opgesteld. In deze FML zijn de beperkingen voor lopen (beoordelingspunt 4.18), traplopen (beoordelingspunt 4.20), knielen of hurken (beoordelingspunt 4.22), staan (beoordelingspunt 5.3), staan tijdens het werk (beoordelingspunt 5.4) en geknield of gehurkt actief zijn (beoordelingspunt 5.5) aangescherpt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de gewijzigde FML één van de geselecteerde functies verworpen. De mate van arbeidsongeschiktheid bleef minder dan 35%. Appellant heeft vervolgens een rapport van verzekeringsarts M.M.F. Timmerhuis (Timmerhuis) van 7 februari 2019 ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien om de FML verder aan te passen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en appellant gezien op het spreekuur. Er is een anamnese afgenomen en een lichamelijk en psychisch onderzoek gedaan. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd. De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader onderzoek had moeten doen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft gereageerd op de rapporten van Niewold en Timmerhuis en inzichtelijk gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen wel en andere niet zijn overgenomen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de weigering om een WIA-uitkering aan hem toe te kennen per 18 september 2015. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij meer beperkt is en met ingang van deze datum duurzaam volledig arbeidsongeschikt had moeten worden verklaard. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant verwezen naar de rapporten van Kleipool, Niewold en Timmerhuis. Hij heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem niet heeft gezien. Kleipool, Niewold en Timmerhuis hebben hem wel gezien en zijn het erover eens dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen ten aanzien van lopen (tijdens het werk), staan (tijdens het werk) en knielen/hurken. Timmerhuis is bovendien van mening dat een urenbeperking voor zes uur per dag en dertig uur per week aan de orde is. Uitgaande van de door Kleipool, Niewold en Timmerhuis omschreven beperkingen zijn de door het Uwv geselecteerde functies niet passend. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 11 maart 2021 opnieuw een gewijzigde FML opgesteld, waarin een beperking is toegevoegd voor verhoogd persoonlijk risico (beoordelingspunt 1.9.9) en waarin is opgenomen dat appellant niet ’s avonds of ’s nachts kan werken (beoordelingspunt 6.1). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies op basis van de gewijzigde FML nog steeds passend zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In dit geschil moet de vraag worden beantwoord of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 18 september 2015 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd om per die datum alsnog een WIA-uitkering aan appellant toe te kennen. Pas wanneer wordt geoordeeld dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid komt de vraag over de duurzaamheid aan de orde.

4.3.1.

Anders dan de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag berust. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

In de FML van 11 maart 2021 is appellant sterk beperkt geacht voor lopen (beoordelingspunt 4.18). Voor lopen tijdens het werk (beoordelingspunt 4.19), staan (beoordelingspunt 5.3) en staan tijdens het werk (beoordelingspunt 5.4) is appellant volgens het Uwv beperkt, waarbij voor wat betreft het lopen als toelichting is opgenomen ‘tot enkele uren bijeen’. Timmerhuis acht appellant daarentegen op al deze beoordelingspunten sterk beperkt. Hij stelt dat lopen en staan geen onderdelen moeten zijn van de functie. Ook Niewold en Kleipool zijn van mening dat appellant sterk beperkt is voor lopen (tijdens het werk) en staan (tijdens het werk). Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet heeft gezien. De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur en lichamelijk onderzoek gedaan maar uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt niet van een onderzoek naar het looppatroon. Uit de rapporten van Timmerhuis, Niewold en Kleipool blijkt dat zij appellant uitgebreid hebben onderzocht. Daarbij is onder andere naar voren gekomen dat appellant niet op de platte linker voet kan staan en lopen, hij loopt en staat met name op de buitenzijde van de voet en kan de voet niet afwikkelen. Het looppatroon is mankend, met een breed gangpatroon en een antalgische standsfase over links. Mede onder verwijzing naar de beschikbare informatie van de behandelaren hebben zij overtuigend gemotiveerd dat appellant ook wat betreft het lopen tijdens het werk (beoordelingspunt 4.19), staan (beoordelingspunt 5.3) en staan tijdens het werk (beoordelingspunt 5.4) sterk beperkt moet worden geacht.

4.3.3.

Niet in geschil is dat appellant niet in staat is om te knielen of hurken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is echter van mening dat appellant op alternatieve wijze, bijvoorbeeld door te buigen of door middel van een uitvalspas met rechts naar achteren, kortdurend tot grondbereik kan komen en daarom een beperking op beoordelingspunt 4.22 niet aan de orde is. Timmerhuis acht een beperking op beoordelingspunt 4.22 wel noodzakelijk en Niewold heeft in zijn rapport van 9 februari 2019 gesteld dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep omschreven alternatieve wijzen om tot grondbereik te komen voor appellant niet haalbaar zijn. Hij heeft toegelicht dat hierbij teveel dorsaalflexie in de linkervoet zal ontstaan en dat appellant in onbalans zal raken doordat hij alleen de zijkant van zijn voet kan belasten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar aan de FML toegevoegd dat grondbereik op alternatieve wijze slechts kortdurend mogelijk is vanwege onbalans, maar zij is niet ingegaan op het feit dat dit volgens Niewold helemaal niet mogelijk is omdat het teveel dorsaalflexie in de linkervoet veroorzaakt. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onvoldoende gemotiveerd. Ook wat betreft beoordelingspunt 4.22 kan de FML van 11 maart 2021 daarom niet in stand blijven.

4.3.4.

Het standpunt van Timmerhuis dat een urenbeperking voor zes uur per dag en dertig uur per week aan de FML moet worden toegevoegd, wordt niet gedeeld door Niewold en Kleipool. Niewold acht appellant in verband met zijn slechte nachtrust wel beperkt voor werken in de avond en nacht, maar deze beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep al aan de FML toegevoegd. Zij heeft verder inzichtelijk toegelicht dat er geen reden is voor een urenbeperking. Daartoe heeft zij erop gewezen dat appellant bij de primaire verzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van slaapproblemen. Ook uit de latere rapporten blijkt niet dat appellant overdag slaap nodig heeft voor extra recuperatie. Bovendien is met de reeds vastgestelde beperkingen al gewaarborgd dat het werk fysiek niet zwaar is en dus minder energie kost. Er is geen reden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.

4.4.

Nu uit 4.3.2 en 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste medische grondslag, wordt geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag op onjuiste beperkingen is gebaseerd en de geselecteerde functies niet onverkort passend zijn. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Ook zal de Raad het Uwv opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe moet een gewijzigde FML worden opgesteld, waarin appellant sterk beperkt wordt geacht voor lopen tijdens het werk (beoordelingspunt 4.19), staan (beoordelingspunt 5.3) en staan tijdens het werk (beoordelingspunt 5.4). Ten aanzien van knielen of hurken (beoordelingspunt 4.22) moet appellant beperkt worden geacht en moet de toelichting die nu bij dit beoordelingspunt is opgenomen worden verwijderd. Daarna zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling plaats moeten vinden. Afhankelijk van de uitkomst van de nieuwe beoordeling zal de vraag over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid door het Uwv onder ogen moeten worden gezien. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.5.

Over het verzoek van appellant om schadevergoeding wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellant schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of er aanleiding is voor schadevergoeding. Indien het nieuw te nemen besluit ertoe leidt dat enig bedrag aan appellant moet worden nabetaald, is het Uwv gehouden tot vergoeding van wettelijke rente die zal moeten worden berekend zoals in de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958 is uiteengezet.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.870,- in beroep en op € 1.496,- in hoger beroep, in totaal € 3.366,- voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding komen ook in aanmerking de door appellant gemaakte kosten voor de rapporten van Niewold van 4 januari 2019 en 9 februari 2019 van in totaal € 2.139,62 (inclusief omzetbelasting). De totale proceskostenvergoeding is € 5.505,62. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 mei 2018;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 5.505,62;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.