Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
19/2355 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie omdat appellante niet heeft voldaan aan haar reintegratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2355 WIA

Datum uitspraak: 28 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
18 april 2019, 18/1087 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] , Stichting voor openbaar primair onderwijs te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werkneemstersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 december 2017 heeft het Uwv het tijdvak waarin [werkneemster] (werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 20 januari 2019. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd aansluitend aan de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar een rapport van
13 februari 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en een loonsanctie opgelegd, omdat zij te lang heeft vastgehouden aan re-integratie bij de eigen werkgever en te laat is gestart met re-integratieactiviteiten in het tweede spoor.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante – kort samengevat – aangevoerd dat zij niet tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Volgens appellante is werkneemster marginaal belastbaar en zijn de re-integratieactiviteiten om medische redenen beperkt tot re-integratie bij de eigen werkgever. Onder verwijzing naar de uitspraak van 13 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1744) stelt appellante dat zij terecht heeft afgezien van reintegratieactiviteiten in het tweede spoor. Hierbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts in het rapport van 29 november 2017 te kennen heeft gegeven dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden adequaat heeft ingeschat. Het is volgens appellante dan ook onnavolgbaar dat het handelen van de bedrijfsarts nadien alsnog onjuist is geacht. Verder heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met het eenzijdige arbeidsverleden en de leeftijd van werkneemster, mede gelet op de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

De Raad oordeelt als volgt.

4.2.1.

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende reïntegratieinspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

4.2.2.

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reintegratieinspanningen, die zijn verricht.

4.2.3.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werkneemster in redelijkheid konden komen tot de reintegratieinspanningen die zijn verricht. Daarnaast is van belang de Werkwijzer Poortwachter, waarmee het Uwv aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.

4.3.

Niet in geschil is dat werkneemster ten tijde van de beoordeling van de re‑integratieinspanningen niet in structurele arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon had hervat en dat daarmee geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Partijen houdt verdeeld de vraag of appellante, door haar re-integratie-inspanningen te beperken tot het eerste spoor, zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.4.

Werkneemster is op 7 februari 2016 uitgevallen voor haar werkzaamheden als groepsleerkracht (27,78 uur per week). Vanaf september 2016 heeft werkneemster op een andere locatie bij de eigen werkgever gedeeltelijk aangepaste werkzaamheden verricht. Op 21 december 2016 is werkneemster door de bedrijfsarts gezien en is haar belastbaarheid vastgelegd. Volgens de bedrijfsarts ligt de focus op de opbouw in het eigen werk, aangezien volledig herstel is te verwachten in zes maanden. Gelet op de huidige belastbaarheid en prognose, acht de bedrijfsarts inzet van een tweede-spoortraject gecontra-indiceerd. Bij stagnatie of verslechtering van de belastbaarheid dient het traject alsnog geheel te worden heroverwogen. Op 17 februari 2017 is werkneemster nog steeds ongeschikt geacht voor haar eigen werk en is met het re-integratiebedrijf afgesproken dat werkneemster tot en met april zal re-integreren in aangepast werk, opbouwend tot 24 uur, om daarna in drie maanden weer (inhoudelijk) op te bouwen richting het eigen werk. Daarbij is vermeld dat bij stagnatie of terugval, meteen een consult met de bedrijfsarts moet worden ingepland en het geheel opnieuw moet worden bezien. Er dient dan hernieuwd onderzoek plaats te vinden naar verdere arbeidsmogelijkheden intern en de externe mogelijkheden dienen alsnog in kaart te worden gebracht. Op 6 juni 2017 heeft de bedrijfsarts aan appellante gerapporteerd dat werkneemster achttien uur per week werkt in aangepast werk en dat de beoogde hersteldmelding voor de zomer niet haalbaar is. De opbouw in taken en uren is gestagneerd en de prognose is onduidelijk. Op 20 november 2017 heeft de arbeidsdeskundige van het reintegratiebedrijf gerapporteerd dat de huidige re-integratie-activiteiten per 14 november 2017 zijn gestaakt en dat alsnog re-integratie in het tweede spoor wordt opgestart.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht een loonsanctie aan appellante heeft opgelegd, omdat zij zonder deugdelijke grond niet heeft voldaan aan haar reintegratieverplichtingen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6.

Anders dan appellante betoogt, blijkt uit de stukken niet dat bij werkneemster sprake is van zeer beperkte arbeidsmogelijkheden op grond waarvan van appellante niet gevergd kon worden re-integratieactiviteiten in het tweede spoor te verrichten. Volgens de bedrijfsarts is werkneemster belastbaar overeenkomstig de benutbare mogelijkhedenlijst en ten tijde van belang werkte werkneemster bovendien achttien uur per week in aangepast werk. Van een situatie zoals aan de orde in de uitspraak van 13 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1744) is dan ook geen sprake. Daarbij komt dat de bedrijfsarts in de door appellante in beroep overgelegde brief van 28 mei 2018 heeft bevestigd dat de restcapaciteit van werkneemster ook in het tweede spoor had kunnen worden ingezet, maar dat dan gestopt had moeten worden met de activiteiten in het eerste spoor. Er is dus geen medische reden waarom werkneemster niet in het tweede spoor zou kunnen re-integreren. Dat re-integratie in het tweede spoor volgens de bedrijfsarts vanwege de beperkte energie van werkneemster een kleine kans van slagen had, maakt dat niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 14 januari 2019 en 5 februari 2019 in reactie op de genoemde brief van de bedrijfsarts geen ander standpunt ingenomen over de wijze waarop de bedrijfsarts de belastbaarheid van appellante heeft vastgesteld dan in het rapport van 29 november 2017. Het verzekeringsgeneeskundig standpunt was en bleef dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid kon worden gevolgd, maar in de rapporten van 14 januari 2019 en 5 februari 2019 is daaraan toegevoegd dat re-integratie-belemmerende adviezen zijn gegeven. Het betoog dat het Uwv in beroep een nieuwe medische onderbouwing aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, treft dan ook geen doel.

4.7.

Volgens de Werkwijzer Poortwachter (versie 24 maart 2017) moet een tweede spoortraject uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie (het zogeheten “opschudmoment”) worden gestart, tenzij er binnen drie maanden een concreet perspectief is op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie. De bedrijfsarts heeft begin 2017, toen na de ziekmelding een jaar was verstreken, toch verder ingezet op opbouw in eigen werk, omdat binnen zes maanden volledig herstel was te verwachten. Het is werkneemster echter niet gelukt om in april 2017 de geplande urenopbouw te realiseren en ook het stapsgewijs oppakken van taken van de oorspronkelijke functie vanaf mei is niet gerealiseerd. Hoewel al vanaf april sprake was van stagnatie in de werkhervatting, is werkneemster pas in juni 2017 door de bedrijfsarts gezien, waarbij is vastgesteld dat werkneemster niet volgens de verwachting was hersteld voor het eigen werk. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat in ieder geval op dat moment aanleiding bestond om onderzoek te doen naar reintegratiemogelijkheden binnen het tweede spoor. Appellante heeft dus te lang, namelijk tot medio november 2017, vastgehouden aan re-integratie bij de eigen werkgever en is te laat gestart met re-integratieactiviteiten in het tweede spoor.

4.8.

Tot slot heeft appellante tevergeefs aangevoerd dat de beperkingen, de leeftijd en het (eenzijdige) arbeidsverleden van werkneemster een reden waren om alleen te hervatten in het eigen werk bij de eigen werkgever. Het Uwv heeft terecht gesteld dat een lastige positie op de arbeidsmarkt – na ruim een jaar arbeidsongeschiktheid – juist reden is om werkneemster actief te begeleiden bij het vinden van passend werk buiten de eigen organisatie.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en F.M. Rijnbeek en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.C.G. van Dijk