Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
20/2090 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft tijdens de zitting toegelicht dat de motivering van het de brief van 5 februari 2019 juist is en dat dat haar gelijk bevestigt in de procedure over de intrekking en de terugvordering. Tevens heeft zij gewezen op de naar haar mening manipulatieve wijze van handelen van het Uwv. Wat appellante naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van wat zij ook in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Deze gronden zijn door de rechtbank voldoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat in hoger beroep naar voren is gebracht geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2090 TW

Datum uitspraak: 21 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 april 2020, 19/1963 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 18/5553 TW, door middel van videobellen plaatsgevonden op 9 september 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W.M. Wiertz. In de zaak 18/5553 TW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellante met ingang van 30 juni 1999 in aanmerking gebracht voor een

uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In aanvulling op haar WAZ-uitkering heeft het Uwv met ingang van 1 januari 2007 aan appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend naar de norm van gehuwden. Het Uwv heeft bij besluit van 5 juli 2017 het recht op toeslag over de periode 21 april 2010 tot 1 januari 2017 ingetrokken omdat appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 12 van de TW heeft geschonden. Bij besluit van 13 juli 2017 heeft het Uwv over deze periode de onverschuldigd betaalde toeslag van appellante teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van appellante bij uitspraak van 20 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4593, ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld (zaak 18/5553 TW) en dat beroep is gevoegd behandeld met deze procedure.

1.2.

Wegens het schenden van de inlichtingenverplichting heeft het Uwv aanleiding gezien

een proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie. Bij brief van 26 juni 2018 heeft de officier van justitie te kennen gegeven appellante niet (verder) te vervolgen omdat er naar zijn oordeel onvoldoende bewijs is.

1.3.

Bij brief van 5 februari 2019 heeft het Uwv toegelicht dat aan appellante geen boete wordt opgelegd. In deze brief is, voor zover van belang, opgenomen: “In onze brief van 25 april 2018 hebben wij u laten weten dat we proces-verbaal hebben opgemaakt en aangifte hebben gedaan bij het Openbaar Ministerie. Uit het proces-verbaal is gebleken dat uw zaak is geseponeerd vanwege het gebrek aan wettig bewijs. De beeldvorming is niet juist gebleken en UWV had uw uitkering op een veel eerder moment kunnen en moeten herzien. Van schending van de inlichtingenplicht is geen sprake en daarom zal door het UWV geen boete worden opgelegd”.

1.4.

Bij brief van 7 februari 2019 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de brief van 5 februari 2019 wordt ingetrokken en de brief van 7 februari 2019 hiervoor in de plaats komt. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen: “In onze brief van 25 april 2018 hebben wij u laten weten dat wij een proces verbaal hebben opgemaakt en dat we aangifte hebben gedaan bij het Openbaar Ministerie. Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat niet onomstotelijk is bewezen dat er sprake is van het schenden van de mededelingsverplichting. Daarom hebben wij besloten u nu geen boete op te leggen”.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 7 februari 2019. Bij beslissing op bezwaar van 14 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bestreden besluit geen ander rechtsgevolg heeft dan dat het Uwv zijn besluit om geen boete op te leggen handhaaft. De rechtbank heeft overwogen dat appellante het met dit rechtsgevolg eens is. Naar het oordeel van de rechtbank is er in zoverre (geen) financieel belang bij het aanvechten van het bestreden besluit. Dat in de brief van 7 februari 2019, anders dan in de brief van 5 februari 2019, wordt gesproken over het ‘nu’ niet opleggen van een boete doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Indien het Uwv in de toekomst alsnog besluit een boete op te leggen, dan kan naar het oordeel van de rechtbank daartegen alsdan bezwaar worden gemaakt. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat zij in deze procedure slechts (de rechtmatigheid van) het bestreden besluit kan toetsen en dus alleen de vraag of het Uwv de beslissing van 7 februari 2019 om geen boete op te leggen terecht heeft gehandhaafd. Dat appellante een uitspraak wenst over de volgens haar manipulatieve wijze van handelen van het Uwv is volgens de rechtbank een principieel belang en onvoldoende om procesbelang aan te nemen. De rechtbank heeft tevens overwogen dat het tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan behoort zijn besluiten te wijzigen of in te trekken. Dat appellante vindt dat de motivering van de brief van 5 februari 2019 haar gelijk bevestigt in de lopende hoger beroepsprocedure, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens een principieel standpunt dat onvoldoende procesbelang oplevert. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante de feiten en omstandigheden waarop het Uwv de herziening en terugvordering baseert, in die procedure kan aanvechten. Dat de in de brief van 7 februari 2019 gegeven motivering voor het niet opleggen van een boete op een andere wijze (rechts)gevolgen kan hebben voor appellante, is volgens de rechtbank gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.

3. Appellante is in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak omdat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft tijdens de zitting toegelicht dat de motivering van het de brief van 5 februari 2019 juist is en dat dat haar gelijk bevestigt in de procedure over de intrekking en de terugvordering. Tevens heeft zij gewezen op de naar haar mening manipulatieve wijze van handelen van het Uwv. Wat appellante naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van wat zij ook in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Deze gronden zijn door de rechtbank voldoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat in hoger beroep naar voren is gebracht geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een schadevergoeding niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade af.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2021.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.