Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2021
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
19/4272 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Gokactiviteiten. Omvang en opbrengsten onduidelijk gebleven. Recht niet vast te stellen. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten. Het ligt in die situatie op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, als hij daarvan wel melding had gemaakt, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft geen administratie van zijn gokactiviteiten bijgehouden en heeft ook niet op een andere manier met objectieve of verifieerbare gegevens de omvang van zijn gokactiviteiten en de gokopbrengsten aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4272 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
30 augustus 2019, ROT 19/2201 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 22 oktober 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021. Namens appellant heeft mr. N. Roos, als opvolgend gemachtigde van mr. Stout, via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 december 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande, met toepassing van de kostendelersnorm.

1.2.

In het kader van een project ‘Heronderzoek PW 2018’ heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam appellant uitgenodigd voor een gesprek op 3 mei 2018 en hem verzocht onder meer afschriften mee te nemen van alle op zijn naam staande bankrekeningen van de laatste drie maanden. Naar aanleiding van de overgelegde bankafschriften heeft de medewerker appellant verzocht bankafschriften vanaf 1 april 2017 over te leggen. Op de bankafschriften staan in alle maanden in de periode van 1 april 2017 tot en met 30 april 2018 geldopnames bij gokinstellingen vermeld, vaak meerdere keren kort na elkaar. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 22 mei 2018.

1.3.

Bij besluit van 30 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van
1 april 2017 tot en met 30 april 2018 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.168,57 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant gokactiviteiten heeft verricht. Door hiervan geen melding bij het college te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 april 2017 tot en met 30 april 2018.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode gokactiviteiten heeft verricht en dat deze activiteiten meldingsplichtig zijn.

4.2.

Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten. Het ligt in die situatie op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, als hij daarvan wel melding had gemaakt, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft namelijk geen administratie van zijn gokactiviteiten bijgehouden en heeft ook niet op een andere manier met objectieve of verifieerbare gegevens de omvang van zijn gokactiviteiten en de gokopbrengsten aannemelijk gemaakt. De stelling dat appellant nooit iets heeft gewonnen, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al niet omdat die stelling ook niet is onderbouwd. Dit betekent dat het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld.

4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2021

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) B. van Dijk