Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
20/1093 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is geworden hoe appellant tot de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1093 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 februari 2020, 19/4831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg (college)

Datum uitspraak: 12 oktober 2021

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: J. Oosterveen

Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam A] en [naam B].

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijstand.

Appellant heeft zich, nadat het door hem geëxploiteerde café op 26 april 2018 op last van de overheid is gesloten vanwege illegale gokactiviteiten, op 21 maart 2019 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Hij heeft de aanvraag op 3 april 2019 ingediend.

Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat niet duidelijk is geworden hoe appellant tot de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

Die duidelijkheid heeft appellant niet geboden. Zo is onduidelijk of appellant na het sluiten van het café tot aan de datum waarop hij zich heeft gemeld om bijstand huurbetalingen heeft verricht. Appellant heeft volstaan met de mededeling dat hij een huurachterstand van negentien maanden heeft opgebouwd, maar van aanmaningen of een dreigende huisuitzetting is niet gebleken. Ook van de premies voor de zorgkosten is onduidelijk gebleven of deze zijn voldaan. De stelling van appellant dat hij door het aangaan van geldleningen in zijn levensonderhoud heeft voorzien, neemt de onduidelijkheid niet weg. Uit de door appellant overgelegde gelijkluidende verklaringen blijkt niet precies wat er wanneer en waarvoor is verstrekt. Daarbij komt dat, ook indien zou worden uitgegaan van de drie verklaringen, deze betrekking hebben op geldleningen tot een bedrag van in totaal € 3.640,-. Dit bedrag is – mede gelet op het feit dat geen zichtbare schulden zijn opgebouwd die verband houden met kosten voor zijn levensonderhoud – te weinig om een heel jaar in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Reeds op grond van bovenstaande aspecten kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad gaat daarom voorbij aan wat gesteld is over de kasstortingen die na de sluiting van het café nog op de rekening van dat café hebben plaatsgevonden en ook aan de inschrijving van een pizzeria in de periode van 28 augustus 2018 tot en met 31 december 2018.

Het hoger beroep slaagt niet.

Omdat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, bestaat voor een kostenveroordeling geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J. Oosterveen (getekend) P.W. van Straalen