Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
19/5157 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het college heeft met het door appellante ondertekende formulier aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan het vereiste van ‘informed consent’. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het huisbezoek niet in staat was om te verklaren over haar persoonlijke woon- en leefsituatie. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag dat sprake was van hoofdverblijf en wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5157 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 12 oktober 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
11 november 2019, 18/2187 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.M. Paanakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Paanakker en door [naam 1] en [naam 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Haex.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 23 november 2017 dat appellante op haar adres in [woonplaats] (uitkeringsadres) al enige jaren samenwoont met haar vriend X, heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Eindhoven een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossier- en internetonderzoek verricht en waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. Op 24 januari 2018 hebben de handhavingsspecialist en een collega een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek heeft appellante de volgende verklaring afgelegd:

“Ik heb sinds 3 jaar een relatie met [X]. Sinds anderhalf jaar, 1-7-2016, slaapt hij bijna elke dag hier. Hij helpt mij met kleding voor mij en mijn zoon. Hij draagt bij aan mijn gezin. Hij heeft een woning in [Y], daar woont mijn zus en haar partner. Hij heeft een huissleutel. Ik gebruik zijn auto. Ik kook voor ons. Ik doe de was gezamenlijk. [X] heeft een fulltime baan. Hij is meestal rond 17.45 uur thuis. Met thuis bedoel ik hier. Mijn buren zouden zeggen dat hier een gezin woont. Ik toon u kleding op de slaapkamer, de helft van de kast is door hem in gebruik.”

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 januari 2018 (rapport). Daarin is geconcludeerd dat appellante vanaf 1 juli 2016 een gezamenlijke huishouding voert met X.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 29 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2018, de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2016 in te trekken en de over de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 december 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.493,19 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij sinds 1 juli 2016 een gezamenlijke huishouding voert met X. Het college heeft hierbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring die appellante tijdens het huisbezoek heeft afgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en X met ingang van 1 september 2017 een gezamenlijke huishouding voeren. Gelet hierop loopt de te beoordelen periode van 1 juli 2016 tot en met 31 augustus 2017.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

Informed consent

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat geen ‘informed consent’ is verleend voorafgaand aan het huisbezoek en, zo begrijpt de Raad, dat om die reden haar verklaring die zij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling is geen sprake als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van de nodige informatie (‘informed consent’). Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand. De bewijslast voor ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning rust op de bijstandsverlenende instantie Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064).

4.3.2.

Vaststaat dat appellante het formulier ‘Toestemming huisbezoek’ (formulier) heeft ondertekend. Op dit formulier is aangekruist dat de medewerkers zich hebben gelegitimeerd en appellante hebben uitgelegd dat het huisbezoek diende om de controleren of de opgegeven woon- en leefsituatie wel overeenkwam met de werkelijke situatie. Ook is op het formulier aangekruist dat de medewerkers appellante hebben verteld dat het verplicht is aan het onderzoek mee te werken en dat het niet verlenen van toestemming voor het afleggen van het huisbezoek reden kan zijn voor het beëindigen van de bijstand. Uit het formulier volgt dat de handhavingsspecialisten appellante duidelijk hebben gemaakt wat de reden en het doel van het huisbezoek waren en dat het niet meewerken aan het huisbezoek gevolgen zou kunnen hebben voor haar bijstand. Dat appellante zich, zoals zij stelt, overrompeld en geïntimideerd voelde en om die reden het formulier zonder voorbehoud heeft getekend, doet hier niet aan af. Ter zitting heeft appellante verklaard zich heel weinig van die dag te herinneren. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het formulier niet juist zou zijn ingevuld. Het college heeft met het door appellante ondertekende formulier dan ook aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan het vereiste van ‘informed consent’.

Tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij door haar persoonlijke omstandigheden ten tijde van het huisbezoek psychisch minder belastbaar was en dat daarom aan de door haar tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring geen betekenis toekomt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval zodanige bijzondere omstandigheden voordeden dat van dit algemene uitgangspunt moet worden afgeweken.

4.4.2.

Vaststaat dat een van de handhavingsspecialisten de verklaring van appellante heeft opgeschreven en dat appellante deze handgeschreven verklaring zonder voorbehoud heeft ondertekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd, of dat de opgetekende verklaring in essentie geen juiste weergave bevat van wat zij tegenover de medewerkers heeft verklaard of om een andere reden buiten beschouwing zou moeten blijven.

4.4.3.

Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het huisbezoek niet in staat was om te verklaren over haar persoonlijke woon- en leefsituatie. De door haar overgelegde brief van haar huisarts van 17 maart 2018 is daarvoor onvoldoende. De huisarts heeft onder meer verklaard dat appellante sinds september 2017 somber en vergeetachtig is en een verminderde concentratie heeft. Deze verklaring is bijna twee maanden na het huisbezoek opgemaakt en ziet op een langere periode. Uit het rapport blijkt dat appellante tijdens het huisbezoek heeft opgemerkt dat zij er niet van op de hoogte was dat zij een wijziging van de gezinssituatie moest doorgeven en dat zij van mening was dat als X alleen bleef slapen zij dit niet hoefde te melden. Deze opmerking duidt er niet op dat appellante, zoals zij ter zitting verklaarde, niet met haar volle verstand op de vragen kon reageren. Uit die opmerking valt eerder af te leiden dat appellante heel goed begreep waar het om ging.

4.4.4.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het college mocht uitgaan van de juistheid van de door appellante tijdens het huisbezoek afgelegde en ondertekende verklaring.

Gezamenlijke huishouding

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat zij en X in de te beoordelen periode niet een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. X heeft pas sinds 1 september 2017 zijn hoofdverblijf in haar woning. In de te beoordelen periode was er volgens appellante tussen haar en X geen sprake van financiële verstrengeling en evenmin van wederzijdse zorg. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.

Hoofdverblijf

4.5.2.

Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat appellante en X op het uitkeringsadres hun hoofdverblijf hebben, maakt het niet uit dat zij ingeschreven staan op verschillende adressen.

4.5.3.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat X stond ingeschreven op een adres in gemeente Y.

4.5.4.

Uit de in 1.2 geciteerde verklaring van appellante is af te leiden dat X sinds 1 juli 2016 bijna elke dag op het uitkeringsadres sliep en dat hij na zijn werk op dat adres terugkeerde. Bij het huisbezoek zijn bovendien herenkleding en herentoiletartikelen aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De latere verklaringen van appellante en van X, beide gedateerd op 28 maart 2018, doen daar niet aan af. In deze verklaringen schetsen appellante en X de ontwikkeling van hun relatie en stellen zij dat zij voor 1 september 2017 niet samenwoonden. Omdat deze verklaringen achteraf zijn opgemaakt, komt daaraan minder gewicht toe dan aan de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring van appellante.

4.5.5.

Uit 4.5.4 volgt dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

Wederzijdse zorg

4.5.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.

4.5.7.

Uit de in 1.2 geciteerde verklaring van appellante is af te leiden dat X appellante hielp met kleding voor haar zoon en bijdroeg aan haar gezin. Appellante maakte bovendien gebruik van de auto van X. Appellante waste de kleding van X en kookte voor hen beiden. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante en X in de te beoordelen periode voorzagen in zorg voor elkaar. Dit betekent dat ook aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5.7 blijkt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2021.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) B. Beerens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.