Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
15-10-2021
Zaaknummer
21/558 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. Er is op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML. Uitgaande van de juistheid van de FML, zijn de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 558 WIA

Datum uitspraak: 8 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 januari 2021, 19/1254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Kötter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kötter. Het Uwv is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 25 november 2011 werkzaam als operator in opleiding via een uitzendbureau voor gemiddeld 30,44 uur per week. Ook was hij sinds 1 september 2005 gemiddeld 6,74 uur per week als brandwacht actief bij de vrijwillige brandweer. Appellant heeft zich op 26 oktober 2012 bij het uitzendbureau ziek gemeld met schouder- en nekklachten. Op 12 november 2012 is appellant onwel geworden, waarna hij ernstige klachten heeft behouden.

1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 oktober 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij appellant 80-100% arbeidsongeschikt is geacht.

1.3.

Bij besluit van 20 juni 2016 is appellant met ingang van 24 september 2016 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellant 80-100% arbeidsongeschikt is geacht. De voormalig werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft vervolgens medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Het Uwv heeft geconcludeerd dat appellant 43,31% arbeidsongeschikt is. Tegen het voorgenomen besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Na een heroverweging heeft het Uwv berekend dat het arbeidsongeschiktheidspercentage 43,37 bedraagt. Met een beslissing op bezwaar van 29 december 2016 is de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 oktober 2016 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,37%. Omdat de inkomenseis pas na 24 kalendermaanden geldt, behield appellant tot 1 november 2018 ongewijzigd recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft het Uwv appellant per 1 november 2018 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Omdat dit besluit genomen was zonder dat daaraan medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag heeft gelegen, zijn die onderzoeken in bezwaar alsnog verricht op 31 oktober 2018 en 15 november 2018 . Bij besluit van 13 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2018 ongegrond verklaard. Hieraan liggen een onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een dossieronderzoek verricht en de in bezwaar overgelegde psychiatrische expertise van prof. dr. G.F. Koerselman van 25 oktober 2015 en de psychiatrische expertise van prof. dr. H.J.C van Marle van 29 maart 2019 bij haar overwegingen betrokken. In het rapport van 8 maart 2019, aangevuld op 23 april 2019, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar gemotiveerd waarom en op welke onderdelen zij aanleiding ziet de FML aan te passen. De rechtbank is op grond van de beschreven onderzoeksactiviteiten van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft tevens overwogen dat het medisch oordeel ook juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft goed gemotiveerd waarom er geen aanleiding is voor verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in haar stelling dat de ingebrachte medische stukken geen aanleiding geven om tot een ander standpunt te komen. Er is tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts mr. drs. A. de Vries op zichzelf geen verschil van inzicht over de ziektebeelden van appellant en de wijze waarop zijn ziekte zich manifesteert. In het rapport van 11 mei 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom zij de zwaardere beperkingen in de FML van De Vries niet overneemt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv inzichtelijk heeft gemaakt dat tegen de achtergrond van de geldende ‘standaard verminderde arbeidsduur’ een urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen niet juist zijn ingeschat en dat hij de geduide functies niet kan verrichten. Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt een rapport van een arbeidspsychologisch onderzoek, verricht op 29 april 2021, ingezonden. Hieruit blijkt dat zowel zijn probleemoplossende vaardigheden, alsook het huidige prestatievermogen (zeer lage verwerkingssnelheid) duidelijk achterblijft bij zijn (geschatte) intelligentie en vroegere functioneringsniveau. Het functioneren van appellant staat op dit moment sterk onder druk. Er is sprake van fors psychisch lijden, met name een ernstig depressief beeld, een lage frustratietolerantie, een lage eigenwaarde en een inadequate coping mechanisme. Er is sprake van een zeer kwetsbare conditie, die ernstige gevolgen heeft voor zijn arbeidsvermogen. Bij brief van 29 juni 2021 is daar aan toegevoegd dat het onmogelijk is om door middel van een psychologisch onderzoek de mentale situatie van appellant op de datum in geding (1 november 2018) te bepalen. Wel kon vastgesteld worden dat appellant met de huidige psychische problematiek ongeschikt was voor de toen geduide functies. Appellant is voorts van mening dat een urenbeperking geïndiceerd is, vanwege energetische problemen en een zwakke mentale gesteldheid. Tevens is appellant niet in staat klantencontacten aan te gaan.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt in een rapport van 15 juni 2021 dat in het arbeidspsychologisch rapport geen melding wordt gemaakt van de situatie op de datum in geding, dat de primaire verzekeringsarts appellant vlak voor de datum in geding heeft gezien en dat de functionele mogelijkheden van appellant in 2016 al zijn vastgesteld en dat appellant daar geen beroep tegen in heeft gesteld. De situatie in 2018 is nauwelijks anders dan toen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.3.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 1 augustus 2018 (de datum in geding) heeft vastgesteld op 43,47%.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML, wordt onderschreven alsook de overwegingen waarop dat oordeel berust. Het in hoger beroep overgelegde arbeidspsychologisch onderzoek leidt niet tot een ander oordeel nu dit onderzoek niet is toegespitst op de datum in geding maar de actuele situatie van appellant weergeeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien om tot een ander standpunt te komen. De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er ook terecht op gewezen dat appellant geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de vaststelling van zijn belastbaarheid in 2016 en dat daarom die beoordeling vaststaat. Het is uit de medische stukken niet af te leiden dat de medische situatie van appellant op 1 november 2018 is verslechterd ten opzichte van de beoordeling in 2016. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat een urenbeperking niet aan de orde is nu rond de datum in geding niet gebleken is van ernstige energetische beperkingen. Appellant had een goed gevuld dagprogramma, waarin hij dagelijkse bezigheden had, zoals het verlenen van mantelzorg, het doen van boodschappen, een kennis bezoeken, vissen, als vrijwilliger achter de bar staan en lezen.

4.5.

Eveneens met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De schatting is gebaseerd op de functies wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (SBC-code 315040) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Daarnaast zijn er nog drie reservefuncties. De belasting van de drie functies waar de schatting op is gebaseerd, overschrijdt de belastbaarheid van appellant, zoals is weergegeven in de FML, niet. In het rapport van 7 mei 2019 en 5 juni 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de functies passend zijn. De Raad volgt deze motivering. De grond van appellant dat de functies niet geschikt zijn omdat hij geen contact met klanten kan aangaan, slaagt niet. In de FML is appellant onder meer beperkt op 2.6.1 emotionele problemen van anderen hanteren en 2.8.1 omgaan met conflicten. Appellant kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren. In de geduide functies is niet gebleken van een overschrijding van de belastbaarheid op deze onderdelen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.M.M. Chevalier