Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
20/1690 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:1440, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toekenning bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten. Kosten Playstation 4, magnetron en wasdroger kunnen niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Het college kon ervan uitgaan dat de inrichtingskosten zagen op een huishouden van één persoon, alleen al omdat ter zitting van de rechtbank namens appellant is verklaard dat hij alleen woont, dat het wel de bedoeling is dat er een vaste omgangsregeling met zijn twee kinderen komt, maar dat die regeling er niet is. Dat sprake is van een echtscheiding en psychische problematiek maakt niet, dat van meer personen in het huishouden moet worden uitgegaan dan in werkelijkheid het geval is. De kosten voor aanschaf van een Playstation 4, een magnetron en een wasdroger kunnen niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

je

20 1690 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2020, 19/4578 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak: 5 oktober 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is in 2018 gescheiden. Zijn ex-echtgenote en twee kinderen zijn in de echtelijke woning blijven wonen en appellant is een flatwoning toegewezen. Hij heeft op 29 april 2019 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten in verband met het betrekken van zijn nieuwe woning tot een bedrag van

€ 10.000,-. Appellant heeft dit bedrag later verhoogd naar € 10.240,- en dit onderbouwd met een overzicht van alle goederen (inclusief prijsinschatting) die hij meent nodig te hebben.

1.2.

Bij besluit van 20 mei 2019 heeft het college appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verleend tot een bedrag van € 2.215,08.

1.3.

Bij besluit van 23 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2019 gegrond verklaard en het bedrag van de toekenning vastgesteld op € 4.009,80. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het toegekende bedrag van € 4.009,80 is berekend aan de hand van artikel 19, vijfde lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2017 van de gemeente Bergen op Zoom (Beleidsregels). Hierin is het bedrag van de noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend bepaald op een vast percentage van wat in de Nibud-prijzengids staat vermeld per inventarispakket naar huishoudtype. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toegekende bedrag niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke kosten en dat afgeweken zou moeten worden van de Beleidsregels. Appellant is alleenstaande. Voor de kosten van aanschaf van een Playstation 4, een magnetron, een wasdroger en spullen die betrekking hebben op meer dan één persoon wordt geen bijzondere bijstand verleend. Deze kosten worden niet als noodzakelijke kosten aangemerkt in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:611) volgt dat het college bevoegd is voor de verstrekking van bijzondere bijstand forfaitaire bedragen of richtprijzen vast te stellen waarmee de betrokkene in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Het door het college gehanteerde beleid wordt door de rechtbank niet als onredelijk aangemerkt. De koppeling van de richtprijzen aan de Nibud-normen komt de rechtbank niet onaanvaardbaar of onredelijk voor.

Dit laat onverlet dat het de betrokkene vrij staat aannemelijk te maken dat de vergoeding in zijn geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke (extra) kosten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vergoeding in zijn geval niet toereikend is. Het college is terecht uitgegaan van een éénpersoonshuishouden. Als op termijn een omgangsregeling met de kinderen van appellant wordt vastgesteld, kan appellant indien nodig eventueel opnieuw een aanvraag doen voor bijzondere bijstand. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat appellant met de verstrekte bedragen in staat moet worden geacht de woning naar geldende maatstaven fatsoenlijk in te richten. Appellant heeft niet onderbouwd dat hij met de toegekende bijzondere bijstand de noodzakelijke inrichting niet op de meeste voordelige wijze heeft kunnen aanschaffen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en

- samengevat - het volgende aangevoerd. Er is geen rekening gehouden met de bijzondere individuele omstandigheden van appellant. Hij heeft een echtscheiding achter de rug en er is sprake van psychische problematiek. Ook is sprake van een omgangsregeling. De kosten voor de aanschaf van een Playstation 4, magnetron en wasdroger hangen samen met de invulling van het recht op uitoefening van family life van appellant. Ten onrechte is hiervoor geen bijzondere bijstand verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.

4.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ervan kon uitgaan dat de inrichtingskosten zagen op een huishouden van één persoon, alleen al omdat ter zitting van de rechtbank namens appellant is verklaard dat hij alleen woont, dat het wel de bedoeling is dat er een vaste omgangsregeling met zijn twee kinderen komt, maar dat die regeling er niet is. Dat sprake is van een echtscheiding en psychische problematiek maakt niet, dat van meer personen in het huishouden moet worden uitgegaan dan in werkelijkheid het geval is. Met betrekking tot de kosten voor aanschaf van een Playstation 4, een magnetron en een wasdroger wordt als volgt overwogen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze kosten voor appellant niet noodzakelijk zijn. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2595) worden de kosten voor de aanschaf van een magnetron niet aangemerkt als noodzakelijke kosten. Ook de kosten voor de aanschaf van een wasdroger worden volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:375) niet aangemerkt als noodzakelijke kosten. Het college heeft zich ten aanzien van de kosten voor aanschaf van een Playstation 4 terecht op het standpunt gesteld dat er andere manieren van dagbesteding zijn en dat ook deze niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Of de kosten voor aanschaf van een Playstation 4, een magnetron en een wasdroger voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, behoeft dan geen bespreking meer.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2021.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) M. Zwart