Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
20/2657 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:2715, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Appellant is zelf verantwoordelijk voor de tijdige indiening van rechtsmiddelen, zie ook de uitspraak van de Raad van 29 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2132). In het geval dat appellant niet in staat is om zelf tijdig een bezwaarschrift in te dienen, kan van hem worden gevergd dat hij ervoor zorgdraagt dat een ander dat voor hem doet. Appellant heeft helaas ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij om medische redenen niet in staat was om, al dan niet voorlopig, bezwaar te maken, dan wel om daarvoor de hulp van anderen in te schakelen. Dit betekent dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is en het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2657 WAJONG

Datum uitspraak: 1 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juni 2020, 19/5638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft met een door het Uwv op 15 maart 2019 ontvangen formulier een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant een chronische systeemziekte heeft, Lupus. Bij besluit van 3 juni 2019 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen.

1.2.

Appellant heeft met een door het Uwv op 28 augustus 2019 ontvangen bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2019. Appellant heeft in een begeleidende brief uiteengezet dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend, omdat hij wegens ziekte niet in de gelegenheid was eerder bezwaar te maken.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 3 juni 2019 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat de ziekte van appellant geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellant heeft niet aangetoond dat hij zijn bezwaarschrift niet vóór 16 juli 2019 heeft kunnen indienen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant aangevoerde reden voor de late indiening van zijn bezwaarschrift, namelijk dat appellant erg ziek was, zonder nadere toelichting of onderbouwing met medische gegevens onvoldoende is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellant heeft ook geen gebruik gemaakt van de hem door het Uwv bij brief van 5 september 2019 geboden gelegenheid om nader toe te lichten waarom hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend. De rechtbank is niet gebleken dat het voor appellant absoluut onmogelijk was tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Appellant had zonodig een voorlopig bezwaarschrift kunnen indienen om de bezwaartermijn veilig te stellen.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij door zijn ziekte niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Zijn bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2019 is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.2.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Appellant is zelf verantwoordelijk voor de tijdige indiening van rechtsmiddelen, zie ook de uitspraak van de Raad van 29 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2132). In het geval dat appellant niet in staat is om zelf tijdig een bezwaarschrift in te dienen, kan van hem worden gevergd dat hij ervoor zorgdraagt dat een ander dat voor hem doet. Appellant heeft helaas ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij om medische redenen niet in staat was om, al dan niet voorlopig, bezwaar te maken, dan wel om daarvoor de hulp van anderen in te schakelen. Dit betekent dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is en het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2021.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) V.M. Candelaria