Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
19/4250 PW e.v
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Draagkracht. Beschikken. Executoriaal beslag. Het college kon in redelijkheid bij de vaststelling van de draagkracht van betrokkene in het kader van zijn aanvraag om bijzondere bijstand niet het inkomen waarop executoriaal beslag rustte in aanmerking nemen, omdat appellant daarover niet redelijkerwijs kon beschikken. Dit laat overigens onverlet dat het college in beginsel bevoegd is om aan betrokkene met toepassing van artikel 55 van de PW de verplichting op te leggen om stappen te ondernemen om het beslag te laten opheffen en om, als daartoe gronden aanwezig zijn, de te verlenen bijzondere bijstand te verlagen als betrokkene een dergelijke verplichting niet nakomt dan wel een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan toont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/65
JWWB 2021/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4250 PW, 19/4251 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 19 januari 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2019, 19/2646 en 19/3161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Soest (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen duidelijk hebben gemaakt geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft op 9 maart 2019 een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan sociaal culturele activiteiten aangevraagd, op grond van de Verordening Minimafonds deelname sociaal culturele activiteiten 2018 gemeente Soest (verordening). Op 14 maart 2019 heeft betrokkene bijzondere bijstand voor de kosten van het zogenoemde eigen risico zorgverzekering 2019 aangevraagd, op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij besluit van 15 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2019 (bestreden besluit 1) heeft het college de aanvraag op grond van de Verordening afgewezen. Bij besluit van 20 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2019 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag op grond van de PW afgewezen. Aan beide besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat het inkomen van betrokkene te hoog is. Betrokkene beschikt over een inkomen dat hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Daarbij heeft het college onder andere het deel van het inkomen van betrokkene waarop beslag rust in aanmerking genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe – samengevat weergegeven – overwogen dat uit de uitspraak van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501, niet blijkt dat daarmee is bedoeld af te wijken van de vaste lijn van de Raad, zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374. De uitspraak van 14 februari 2017 betreft een uitspraak door een enkelvoudige kamer, waarin niet wordt gemotiveerd waarom anders wordt geoordeeld dan de vaste lijn is en waarin ook niet wordt aangegeven dat die vaste lijn daarmee niet meer geldt. Dat betekent dat aan de uitspraak van 14 februari 2017 niet de betekenis kan worden toegekend die het college daaraan toegekend wil zien. Uitgaande van de vaste lijn in de rechtspraak, zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006, kan niet worden gezegd dat betrokkene over het deel van zijn inkomen waarop loonbeslag is gelegd beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat heeft het college bij de bepaling van de draagkracht van betrokkene niet onderkend. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid en niet deugdelijk zijn gemotiveerd.

3. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 35, eerste lid, van de PW bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2.

Het college heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, betrokkene voor de toepassing van deze bepaling moet worden geacht te kunnen beschikken over het deel van zijn inkomen waarop beslag is gelegd.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het standpunt van het college is te rijmen met een redelijke wetstoepassing. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bijstandsnorm toereikend moet worden geacht om te voorzien in alle noodzakelijke kosten van het bestaan. Uit artikel 35, eerste lid, van de PW volgt dat de belanghebbende die als gevolg van bijzondere omstandigheden in een individueel geval wordt geconfronteerd met noodzakelijke kosten van het bestaan die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen op het niveau van de bijstandsnorm, in beginsel recht heeft op bijzondere bijstand voor die kosten, als de eigen draagkracht onvoldoende is om die kosten te voldoen. Voldoende draagkracht is aanwezig als die kosten naar het oordeel van de bijstandverlenende instantie (het college), kunnen worden voldaan uit de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen boven de bijstandsnorm.

4.3.2.

Bij de vaststelling van de draagkracht kunnen geen middelen worden betrokken die buiten het wettelijk inkomens- en vermogensbegrip als bedoeld in artikel 31 van de PW in samenhang met artikel 32 en artikel 34 van de PW vallen, behoudens de in het tweede lid van die bepalingen vermelde uitzonderingen. Zie de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556. De onder 4.3.1 vermelde beoordelingsruimte van de bijstandverlenende instantie houdt in, dat deze binnen dit kader bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Dit brengt mee dat daarbij de toepassing van de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 31, tweede lid, en 34, tweede lid, van de PW niet verplicht is. Vergelijk de uitspraak van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3311.

4.3.3.

Anders dan uit de uitspraak van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501 zou kunnen worden afgeleid, kan het college bij de draagkrachtvaststelling alleen inkomsten en vermogen in aanmerking nemen die feitelijk kunnen worden aangewend om te voorzien in de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd. Uit artikel 35, eerste lid, van de PW volgt immers dat beoordeeld moet worden of de belanghebbende de betreffende kosten kan voldoen uit de beschikbare middelen. De vraag of de belanghebbende voor de betreffende noodzakelijke kosten heeft gereserveerd dan wel had kunnen reserveren uit het inkomen op het niveau van de bijstandsnorm, is bij de beoordeling van de draagkracht niet van betekenis. Deze vraag moet worden beantwoord in het kader van de vraag of de noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Eerst wanneer die vraag positief wordt beantwoord is een beoordeling van de draagkracht aan de orde.

4.3.4.

Gelet op het voorgaande kan in het kader van de draagkrachtvaststelling niet worden gezegd dat de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd. Zie de uitspraak van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374. Hij kan dat inkomensdeel immers niet feitelijk besteden, is ter zake niet beschikkingsbevoegd, noch kan hij de beslagene aanspreken om, in weerwil van het gelegde beslag, bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen.

4.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.4 vloeit voort dat het college bij de vaststelling van de draagkracht van betrokkene in redelijkheid niet het inkomen waarop executoriaal beslag rustte in aanmerking kon nemen. Dit laat overigens onverlet dat het college in beginsel bevoegd is om aan betrokkene met toepassing van artikel 55 van de PW de verplichting op te leggen om stappen te ondernemen om het beslag te laten opheffen en om, als daartoe gronden aanwezig zijn, de te verlenen bijzondere bijstand te verlagen als betrokkene een dergelijke verplichting niet nakomt dan wel een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan toont.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A.A.H. Ibrahim