Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
19/2037 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de aflossing van een schuld. Begrip 'zeer dringende redenen' a.b.i. artikel 49 PW. Het betoog van appellante dat zij bij het ontstaan van de schuldenlast geen inkomen op bijstandsniveau had, treft geen doel. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat niet alleen het inkomen van appellante ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast van belang is, maar ook het inkomen dat appellante nadien, tot en met de datum van het besluit op de aanvraag, ter beschikking stond. Aan de verlening van de door appellante verzochte bijzondere bijstand stond dan ook in beginsel artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW in de weg. Artikel 49, aanhef en onder b, van de PW biedt in dat geval de mogelijkheid om toch bijzondere bijstand te verlenen, indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van artikel 49 van de PW genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. Van zeer dringende redenen in vorengenoemde zin is sprake als een betrokkene schulden heeft die hem of haar bedreigen in de voorziening in het bestaan. Het begrip 'zeer dringende redenen' a.b.i. artikel 49, in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW heeft niet dezelfde betekenis als dat begrip a.b.i. in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW kan ook bestaan zonder dat zich een acute noodsituatie voordoet. In dit geval is geen sprake van geen sprake van zeer dringende redenen a.b.i. artikel 49, aanhef en onder b, van de PW. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schuld haar in haar bestaansvoorziening bedreigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/568
NJB 2021/2547
JWWB 2021/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2037 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 31 augustus 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

14 maart 2019, AWB 18/2066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Losser (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. van der Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2021. Namens appellante is

mr. Van der Have verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. K.A.G. Tijhaar en mr. J. Boxem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 21 maart 2018 heeft appellante samen met haar echtgenoot een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de aflossing van een huurschuld van op dat moment nog € 3.000,-.

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW in de weg staat aan verlening van bijstand voor schulden en dat geen sprake is van zeer dringende redenen om toch bijstand toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij, toen de schuldenlast ontstond, niet beschikte over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en ook daarna niet.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het college bij besluit van 8 maart 2018 aan appellante en haar echtgenoot bijstand naar de norm voor gehuwden heeft toegekend vanaf 22 januari 2018. In afwachting van het besluit van 8 maart 2018 heeft het college in februari 2018 voorschotten verstrekt. Toen beschikte appellante dus over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het betoog van appellante dat zij bij het ontstaan van de schuldenlast geen inkomen op bijstandsniveau had, treft geen doel. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat niet alleen het inkomen van appellante ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast van belang is, maar ook het inkomen dat appellante nadien, tot en met de datum van het besluit op de aanvraag, ter beschikking stond. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW in beginsel in de weg staat aan het verlenen van bijstand.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW had moeten afwijken van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW. Vanwege de huurachterstand dreigde appellante haar woning te verliezen. Omdat zij haar vorige woning heeft verloren door een brand, zou een woningontruiming extra traumatisch voor haar zijn.

4.5.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Uit de woorden ‘zeer dringende redenen’ in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW blijkt het uitzonderingskarakter van deze bepaling. Zeer dringende redenen als hier bedoeld doen zich alleen voor als de behoeftige omstandigheden van een betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen dan door bijstandverlening, zodat die bijstandsverlening volstrekt onvermijdelijk is. Dit is eerder overwogen in de uitspraak van 7 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7227 en ook nadien, bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2960. Uit deze uitspraken volgt dat sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW als een betrokkene schulden heeft die hem of haar bedreigen in de voorziening in het bestaan. Dit is bijvoorbeeld zo als huisuitzetting of afsluiting van water, gas of elektriciteit dreigt.

4.5.2.

Anders dan is overwogen in de uitspraak van 11 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5751, heeft dit begrip zeer dringende redenen niet dezelfde betekenis als het begrip zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW kan ook bestaan zonder dat zich een acute noodsituatie voordoet. Maar het bestaan van een grote schuldenlast is, anders dan appellante meent, op zichzelf niet voldoende reden voor toepassing van deze uitzonderingsbepaling. Zie de hiervoor vermelde uitspraak van 7 juni 2010.

4.5.3.

Appellante heeft haar standpunt dat de gevraagde bijstand noodzakelijk was wegens een dreigende huisuitzetting niet onderbouwd. De dagvaarding die zij in dit verband heeft overgelegd is op 20 maart 2019 betekend, dus ruimschoots na de periode waar het hier om gaat. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de huurschuld haar in haar bestaansvoorziening bedreigde.

4.5.4.

Van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW was dus geen sprake.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en A.M. Overbeeke en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) R. de Haas