Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/3859 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag als die van appellante naar vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (zie onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 18 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2902). In geschil zijn dus niet de traumatische ervaringen die appellante ook in hoger beroep heeft genoemd maar of de verzekeringsarts in retrospectief nog arbeidsbeperkingen in de periode 1983-1984 kan vaststellen. Appellante heeft met grotendeels een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht geen nieuw licht op de zaak geworpen. De rechtbank heeft alle beroepsgronden besproken en daarover een goed gemotiveerd oordeel gegeven. Er is geen aanleiding in hoger beroep tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Volgens de deskundige psychiater Veltman kan door het ontbreken van gegevens over de behandeling destijds en de extreem lange sindsdien verstreken periode geen volledig beeld worden verkregen van de ernst van de stoornis destijds en de daarmee samenhangende beperkingen. De vraag of appellante destijds kon functioneren in arbeid kan hij niet goed beantwoorden wegens het ontbreken van gegevens daarover. Voor de conclusie dat appellante zodanige beperkingen in sociaal en beroepsmatig functioneren had dat zij niet tot loonvormende arbeid in staat geweest kan zijn, zijn onvoldoende gegevens voorhanden, aldus Veltman. De conclusies van Veltman zijn helder en inzichtelijk en worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in aansluiting daarop in zijn rapport van 7 november 2018 op goede gronden geconcludeerd dat arbeidsbeperkingen rond het 18e jaar niet meer goed zijn vast te stellen. Appellante heeft geen gegevens overgelegd die twijfel kunnen geven over de conclusies van Veltman en die van de verzekeringsartsen van het Uwv. Uit hetgeen is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3859 WAJONG

Datum uitspraak: 2 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2019, 17/4857 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 8 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [geboortedatum] 1966, heeft op 17 april 2012 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Zij heeft daarbij vermeld dat zij sinds 1975 arbeidsongeschikt is wegens psychische klachten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv onderzoek gedaan. Deze arts heeft vastgesteld dat er geen gegevens te verkrijgen zijn over de periode rond appellantes 17e en 18e jaar (1983-1984), zodat niet vastgesteld kan worden of toen al sprake was van een ziekte en/of gebrek en of er al dan niet beperkingen waren. Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het Uwv appellantes aanvraag voor een Wajonguitkering afgewezen. Het bezwaar van appellante daartegen is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 30 oktober 2012. Bij uitspraak van 25 juni 2013 (12/6021) heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft met een door het Uwv op 4 juni 2014 ontvangen formulier een nieuwe aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 ingediend vanwege psychische en lichamelijke klachten vanaf voor het 17e jaar. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 juni 2012. Bij besluit van 13 juni 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waaruit blijkt dat het besluit van 29 juni 2012 onjuist is. Bij besluit van 7 november 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juni 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 mei 2015 (14/7856) heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

1.3.

Op 12 december 2016 heeft het Uwv een formulier beoordeling arbeidsvermogen van appellante ontvangen. Daarbij heeft appellante informatie overgelegd van haar behandelende pijnspecialist, revalidatiearts, reumatoloog en psychiater uit 2016 en 2017, alsmede informatie over een TENS-behandeling in 2015 en 2016. Na onderzoek heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat heden niet is vast te stellen of op appellantes 18e verjaardag sprake was van een beperking van haar belastbaarheid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Hierop heeft het Uwv de aanvraag bij besluit van 30 januari 2017 afgewezen.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 30 januari 2017 bezwaar gemaakt en diverse stukken van haar huisarts uit 1984, 2012 en 2016 en de gynaecoloog en patholoog uit 1981, 1982, 1984, 1987 en 1993 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 juni 2017, aangevuld op 25 juli 2017, het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep twijfelt er niet aan dat appellante in het verleden diverse forse trauma’s heeft moeten doormaken, maar dat is toch onvoldoende om hieruit directe beperkingen te kunnen afleiden. Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. Appellante heeft in beroep een rapport van 2 december 2017 van psychiater drs. P.H.M. de Wit overlegd dat gericht is op opheldering van appellantes situatie in haar jeugd tot de periode rond 1983-1984. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van 4 januari 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Vanwege de tegenstrijdige bevindingen van de beide artsen heeft de rechtbank psychiater prof. dr. D.J. Veltman als deskundige benoemd. In zijn rapport van 17 september 2018 heeft Veltman vermeld dat appellante in een zeer traumatisch milieu is opgegroeid en dat het aannemelijk is dat er in de periode 1983-1984 psychische problemen waren. De aard en ernst ervan worden onvoldoende duidelijk uit de beschikbare medische gegevens uit deze periode. Uit de meer recente verslagen (vanaf 2013) van de psychiaters blijkt dat bij appellante nog steeds sprake is van chronische PTSS en chronische depressiviteit. De conclusie uit het huidige onderzoek dat appellantes klachten rond de datum in geding passen bij de diagnose (complexe) PTSS, sluit hierbij aan. Op grond van anamnestische gegevens is het plausibel dat dit beeld is ontstaan in aansluiting op een seksueel trauma uit 1981, volgend op langdurig fysieke traumatisering in het gezin van herkomst. Maar door het ontbreken van gegevens van de behandeling destijds bij het RIAGG blijft dit een waarschijnlijkheidsdiagnose. Daarom zijn inschattingen van beperkingen dan wel handicaps bij appellante maar zeer beperkt en onder voorbehoud mogelijk, aldus Veltman. De rechtbank heeft de deskundige gevolgd. Omdat niet meer goed is vast te stellen of appellante in 19831984 arbeidsbeperkingen had als gevolg van een ziekte of gebrek, kan het beroep niet slagen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij gelet op de ernst en combinatie van haar ernstige psychische klachten, forse psychosociale problematiek en lichamelijke klachten wel degelijk voor, op en na haar 18e levensjaar arbeidsongeschikt was gedurende een periode van minimaal 52 weken. Appellante heeft in haar jeugd te maken gehad met een disfunctionele gezinssituatie waarin onder meer sprake was van fysiek geweld. Voorts was zij slachtoffer van seksueel geweld en moest zij een abortus ondergaan. Ook werd appellante gedwongen tot een huwelijk waarin sprake was van (seksueel) geweld. Tot slot had appellante in of rond januari 1984 last van een maagzweer. Als gevolg van de gebeurtenissen rond de datum in geding is appellante nog steeds in behandeling. Psychiater De Wit acht appellante destijds niet in staat tot werken. Over appellantes arbeidsverleden is weinig bekend maar in 1982 was gebrekkige concentratie de oorzaak van onvoldoende functioneren van appellante bij haar werk in een kledingatelier en in 1984 overkwam haar een bedrijfsongeval in een matrassenfabriek als gevolg van eveneens gebrekkige concentratie. Deskundige Veltman heeft in zijn rapport ten slotte gewezen op mogelijke energetische beperkingen waardoor er rond de datum in geding ook een urenbeperking van toepassing kan zijn geweest.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag als die van appellante naar vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (zie onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 18 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2902). De rechtbank heeft voorts terecht gewezen op het moeten hebben van beperkingen tot het verrichten van arbeid (door ziekte of gebrek) wil sprake zijn van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. In geschil zijn dus niet de traumatische ervaringen die appellante ook in hoger beroep heeft genoemd maar of de verzekeringsarts in retrospectief nog arbeidsbeperkingen in de periode 1983-1984 kan vaststellen.

4.3.

Appellante heeft met grotendeels een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht geen nieuw licht op de zaak geworpen. De rechtbank heeft alle beroepsgronden besproken en daarover een goed gemotiveerd oordeel gegeven. Er is geen aanleiding in hoger beroep tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

De deskundige psychiater Veltman heeft toegelicht dat appellante in een zeer traumatisch milieu is opgegroeid, een seksueel trauma heeft gehad in 1981, te maken heeft gehad met ernstige (schoon)familieproblemen en met een gedwongen abortus in 1984. Hij acht plausibel dat appellante in 1983 / 1984 een (complexe) PTSS met een – mogelijk secundaire – depressie had. Anderzijds kan volgens Veltman door het ontbreken van gegevens over de behandeling destijds en de extreem lange sindsdien verstreken periode geen volledig beeld worden verkregen van de ernst van de stoornis destijds en de daarmee samenhangende beperkingen. De vraag of appellante destijds kon functioneren in arbeid kan hij niet goed beantwoorden wegens het ontbreken van gegevens daarover. Voor de conclusie dat appellante zodanige beperkingen in sociaal en beroepsmatig functioneren had dat zij niet tot loonvormende arbeid in staat geweest kan zijn, zijn onvoldoende gegevens voorhanden, aldus Veltman. De conclusies van Veltman zijn helder en inzichtelijk en worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in aansluiting daarop in zijn rapport van 7 november 2018 op goede gronden geconcludeerd dat arbeidsbeperkingen rond het 18e jaar niet meer goed zijn vast te stellen. Appellante heeft geen gegevens overgelegd die twijfel kunnen geven over de conclusies van Veltman en die van de verzekeringsartsen van het Uwv.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) H. Spaargaren