Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/3578 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:3621, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit inhoudende weigering Wajong-uitkering, terecht afgewezen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3578 WAJONG

Datum uitspraak: 9 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2019, 18/5922 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [geboortedatum] 1996, heeft met een door het Uwv op 24 april 2014 ontvangen formulier een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) aangevraagd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 juli 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant met zijn beperkingen in staat werd geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Bij besluit van 3 oktober 2014 is het tegen dit besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft geen beroep ingesteld. Het besluit van 21 juli 2014 staat daarom in rechte vast.

1.2.

Met een door het Uwv op 30 januari 2017 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen verzocht. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 21 juli 2014. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 5 december 2017 heeft het Uwv het verzoek afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 21 juli 2014 onjuist zou zijn.

1.3.

Bij besluit van 26 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 5 december 2017 gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daartoe heeft zij overwogen dat het verslag van een psycholoog van 2010, een brief van de Diamant groep van 22 december 2014, een brief van de gemeente Tilburg van 5 april 2017 en een advies van de gemeente van 19 juni 2017 niet als nieuwe feiten kunnen worden aangemerkt. Het verslag van de psycholoog van 2010 was al bekend en is in 2014 in de beoordeling betrokken. De overige stukken hebben geen betrekking op de medische situatie van appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd, te weten op 2 juni 2013 en op 2 juni 2014. Als voor juist moet worden gehouden dat appellant het werk bij de Diamant groep niet kon volhouden, levert dat volgens de rechtbank ook geen nieuw feit op. Hieruit kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat de beperkingen bij de eerdere beoordeling niet juist zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat het evident onredelijk is om niet terug te komen van het besluit van 21 juli 2014.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het Uwv voor het verleden had moeten terugkomen van de eerdere beoordeling. Appellant heeft erop gewezen dat in de praktijk is gebleken dat hij ook in een beschutte werkomgeving niet in staat is werkzaamheden te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van

21 juli 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en

27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De gronden van appellant in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep. Er is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verslag van de psycholoog van 2010 al bij de eerste Wajong-aanvraag door de verzekeringsarts is beoordeeld, zodat dit geen nieuw feit betreft. Ook de overige stukken zijn terecht niet als nieuw gebleken feiten aangemerkt, omdat deze geen betrekking hebben op de situatie van appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd. Ook de stelling van appellant dat hij het werk bij de Diamant groep niet heeft kunnen volhouden, is terecht niet als een nieuw feit aangemerkt, omdat een medische onderbouwing voor deze stelling ontbreekt. Daarbij heeft de rechtbank nog terecht overwogen dat dit niet betekent dat de beperkingen bij de eerdere beoordeling niet juist zouden zijn vastgesteld. Het Uwv heeft het verzoek om terug te komen van het besluit van 21 juli 2014 dan ook met toepassing van artikel 4:6 van de Awb kunnen afwijzen. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2021.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) V.M. Candelaria