Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/913 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Appellant wordt voor de WAO terecht onveranderd voor 25-35% arbeidsongeschikt geacht. Voldoende medische grondslag. Geen grond voor het oordeel dat de voorbeeldfuncties die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet passend zouden zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 913 WAO

Datum uitspraak: 2 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 januari 2019, 18/2695 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] , [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 5 augustus 2021. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 20 september 1999 uitgevallen voor zijn werk als wagenbegeleider voor 36 uur per week. Hij ontvangt sinds 18 september 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is laatstelijk per 20 november 2002 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, aan deze vaststelling ligt mede een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juli 2003 met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ten grondslag, waarin is neergelegd dat appellant beperkingen kent ten aanzien van zwaar rugbelastende arbeid, waaronder heffen, duwen, trekken en tillen. Ten aanzien van de rechterschouder en de rechterpols zijn geen specifieke beperkingen aan te nemen.

1.2.

Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2009 is de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 25-35%. Aan dit besluit liggen mede rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 oktober 2009 en van 30 november 2009 met bijbehorende FML ten grondslag, waarin onder meer is neergelegd dat de beperkingen ten aanzien van de rugklachten dezelfde zijn gebleven, dat de beperkingen op basis van de dysplastische heup zijn toegenomen en dat ten aanzien van de handklachten in de expertise van J. Huij, orthopaedisch chirurg van 18 juni 2003, geen afwijkingen worden geconstateerd. De Raad heeft met de uitspraak van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1927) de uitspraak van de rechtbank dat het beroep tegen deze laatste beslissing ongegrond is bevestigd.

1.3.

Op 14 oktober 2016 heeft appellant zich wederom toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Blijkens het schrijven van 8 juni 2017 van de voormalig gemachtigde van appellant was deze aanvraag naar zijn strekking gericht op het verkrijgen van een hogere WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Hij heeft op 31 mei 2017 medische gegevens – afkomstig van de toenmalige huisarts van appellant – uit de periode 2008 tot en met 2014 ingediend. Appellant is van mening dat al zijn ziekteklachten die hij voorafgaand aan 30 december 2006, zijnde vier weken na de laatste dag van de WW-uitkering, bij deze beoordeling moeten worden betrokken. Bij beslissing van 17 januari 2018 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid 1525% bedraagt. Bij beslissing op bezwaar van 3 september 2018 (thans bestreden besluit) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij onveranderd voor 25-35% arbeidsongeschikt is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de medische beoordeling onzorgvuldig is verricht en heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid hebben gerapporteerd. De verzekeringsarts heeft, anders dan appellant stelt, bij appellant tijdens het spreekuur op 14 november 2017 wel lichamelijk onderzoek verricht. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet opnieuw lichamelijk onderzoek heeft verricht, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De WAO-uitkering is alléén toegekend vanwege rug- en heupklachten. Dit blijkt ook uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010 (ECLI:NL:RBROT:2010:4332). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze uitspraak op 15 juli 2011 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1927). Appellant heeft zijn standpunt dat de WAOuitkering destijds ook is toegekend in verband met klachten aan zijn handen, schouders, pols en bovenbeen niet met medische informatie onderbouwd, zodat er geen aanleiding is te twijfelen aan de beoordeling van het Uwv op dit punt. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat zijn rug- en heupklachten zijn toegenomen, maar heeft dit niet met medische informatie onderbouwd. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben inzichtelijk onderbouwd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft het verzoek om inschakeling van een deskundige afgewezen omdat er geen aanleiding is te twijfelen aan de beoordeling door het Uwv. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv een voldoende zorgvuldig en onderbouwd verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verricht. Appellant heeft chronische/duurzame klachten aan rug, heup, handen, pols, bovenbeen, van de ademwegen en hij heeft mentale klachten. Ten onrechte worden de klachten aan handen, pols en bovenbeen als “nieuwe” klachten bestempeld. Het Uwv heeft niet alle stukken hierover in geding gebracht. Tevens heeft de rechtbank miskend dat appellant het Uwv voldoende medische onderbouwing heeft verstrekt ter staving van zijn standpunt dat alle toegenomen klachten voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaken als waarvoor hij een WAO-uitkering kreeg toegekend. De klachten aan rug- en heup zijn in ieder geval verergerd gebleken en reeds hierom was benoeming van een deskundige op zijn plaats geweest. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. De geselecteerde functies zijn door appellant evident weersproken met de stelling dat hij gelet op de verergering van de klachten als volledig arbeidsongeschikt beschouwd dient te worden en dat hij de geselecteerde functies daarom niet kan vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de WAO vindt terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Sinds 1 januari 2004 bedraagt die periode 104 weken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vindt, voor zover hier van belang, herziening niet plaats indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van 6 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3792 en 10 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:539) strekt artikel 37 van de WAO ertoe dat, voor de in dat artikel aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, niet verzekerd is voor zover die toeneming is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Vanaf het moment dat de uitkering van de verzekerde voor het eerst wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% omvat de verzekering voor personen als bedoeld in artikel 37 van de WAO – zo blijkt uit de bedoeling van de wetgever – niet het risico van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een kennelijk andere oorzaak dan die ter zake waarvan uitkering wordt ontvangen.

4.3.

In deze zaak is in geschil of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de klachten van appellant aan handen, polsen, rechterschouder en rechterknie buiten beschouwing blijven bij de beoordeling of de WAO-uitkering van appellant moet worden herzien. Tevens is in geschil of de belastbaarheid van appellant op basis van de rug- en heupklachten niet is afgenomen.

4.4.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is in de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 reeds vastgesteld dat andere beperkingen dan beperkingen voortvloeiend uit de klachten van appellant aan heup en rug niet vallen onder de toepassing van artikel 37 van de WAO. Wat appellant in hoger beroep voorts heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen belastbaarheid van appellant. Er zijn geen aanwijzingen die de stelling van appellant bevestigen dat door het Uwv niet alle op het geschil betrekking hebbende (medische) gegevens in geding zijn gebracht, appellant heeft dit ook niet nader onderbouwd. De door appellant ingestuurde gegevens geven evenmin aanknopingspunten om te oordelen dat appellant in 2017 meer beperkingen heeft ten gevolge van zijn heup en/of rugaandoening dan door het Uwv zijn aangenomen. Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen.

4.5.

Er is geen grond voor het oordeel dat de voorbeeldfuncties die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet passend zouden zijn voor appellant. De geschiktheid van de functies zijn door de arbeidsdeskundigen afdoende onderbouwd en appellant heeft in hoger beroep daartegen uitsluitend aangevoerd dat appellant volledig arbeidsongeschiktheid is en om die reden de functies niet passend zijn. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D.S. Barthel