Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
19/4579 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen.

Er zijn geen medische argumenten om in de FML andere of verdergaande beperkingen aan te nemen. Noch vanuit het medische feitencomplex, noch vanuit de bezwaargronden komen argumenten naar voren om een duurbeperking aan te nemen. Ook de Raad heeft in de in dit dossier beschikbare medische informatie geen aanleiding gezien deze gemotiveerde conclusies van de verzekeringsartsen over de in de FML aangenomen beperkingen niet te volgen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn standpunt niet onderbouwd met medische stukken.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4579 WIA

Datum uitspraak: 2 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2019, 19/304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is voor het laatst werkzaam geweest als apotheekmedewerker voor ongeveer 40 uur per week. Met ingang van 23 augustus 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met diverse klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juni 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatst verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 26 augustus 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2018 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 december 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en de medische grondslag van het bestreden besluit door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende is gemotiveerd. Alle naar voren gebrachte klachten en de onderzoeksbevindingen zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de gezondheidstoestand van appellant heeft gemist. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv terecht geen urenbeperking geïndiceerd acht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom geen van de drie indicaties van de Standaard Verminderde Arbeidsduur aan de orde is. Appellant heeft geen nieuwe medisch geobjectiveerde feiten aangevoerd op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. Het Werkplan wat appellant heeft overgelegd betreft geen medische beoordeling, waaruit moet worden afgeleid dat appellant in medisch opzicht geen benubare mogelijkheden heeft. Tenslotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv in de arbeidskundige rapporten voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij heeft daartoe gewezen op het Werkplan, waaruit volgt dat hij te ziek is om te solliciteren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant met ingang van 26 augustus 2018 een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. Uit het rapport van de verzekeringsarts volgt dat hij zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek, de bij de aanvraag gevoegde informatie van de behandelend artsen van appellant en de resulaten van een op verzoek van de bedrijfsarts verricht belastbaarheidsonderzoek van 13 juni 2018 door een arts van Ergatis. Volgens de verzekeringsarts is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid en heeft appellant benutbare mogelijkheden. Er is een discrepantie tussen de door appellant ervaren klachten enerzijds en de medisch objectiveerbare afwijkingen als rechtstreekse en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek anderzijds. Op medische gronden heeft de verzekeringsarts daarom slechts een lichte urenbeperking noodzakelijk geacht van gemiddeld 40 uur per week en niet ’s nachts werken vanwege de indicatie: ‘energetische redenen in verband met vermoeidheid als bijkomend verschijnsel bij ziekte’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusies van de verzekeringsarts onderschreven. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkeden. Er zijn geen medische argumenten om in de FML andere of verdergaande beperkingen aan te nemen. Noch vanuit het medische feitencomplex, noch vanuit de bezwaargronden komen argumenten naar voren om een duurbeperking aan te nemen. Ook de Raad heeft in de in dit dossier beschikbare medische informatie geen aanleiding gezien deze gemotiveerde conclusies van de verzekeringsartsen over de in de FML aangenomen beperkingen niet te volgen.

4.5.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn standpunt niet onderbouwd met medische stukken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Werkplan geen medische beoordeling bevat. In het Werkplan, dat is gedateerd 19 juni 2019 en dus is opgesteld ver na de datum die hier van belang is, staan de afspraken die gemaakt zijn tussen appellant en het werkbedrijf van het Uwv over zijn re-integratie. Appellant wordt begeleid door het werkbedrijf en in het kader van deze begeleiding is appellant vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is hiermee niet gezegd dat er geen re-integratie plaatsvindt. In het Werkplan staat ook dat er een praktijkassessment aangevraagd wordt. Dat op een andere manier met de klachten en beperkingen van appellant wordt omgegaan in de fase van re-integratie maakt niet dat de belastbaarheid onjuist is vastgesteld.

4.6.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H. Spaargaren