Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
19/1321 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid en dat appellant op 1 juli 2018 in staat moet worden geacht om de geselecteerde functies te verrichten. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de aangevallen uitspraak worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die een onderbouwing bieden voor zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen op de datum in geding heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er op gewezen dat appellant bij zijn ziekmelding per 30 oktober 2018 een toename van zijn klachten had gemeld en dat de verzekeringsarts had besloten hierover informatie op te vragen bij de behandelend sector. Dit toereikend gemotiveerde standpunt wordt onderschreven. Daarbij wordt tevens van belang geacht dat het Uwv in zijn aanvullend verweerschrift van 17 juli 2019, onder verwijzing naar het rapport van 27 juni 2019 van de verzekeringsarts, dat is opgesteld in het kader van de ziekmelding per 30 oktober 2018, nader heeft toegelicht dat de ziekmelding per 30 oktober 2018 is geaccepteerd in verband met psychische klachten (meer in het bijzonder klachten passend bij een angststoornis) en dat de medische situatie samenhangend met de Ziekte van Ménière niet is verslechterd. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. In het geval van appellant zijn vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 6 november 2017 door het Uwv tot de datum van deze uitspraak minder dan vier jaar verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake, zodat het verzoek voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het van het EVRM wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1321 ZW

Datum uitspraak: 2 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2019, 18/4869 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend waarin hij verzoekt om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als voorman schoonmaakbedrijf voor gemiddeld 39,85 uur per week. Op 27 oktober 2016 heeft hij zich, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten, waaronder klachten als gevolg van de Ziekte van Ménière. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 26 januari 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 september 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 76,40% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 23 oktober 2017 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 27 november 2017 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 4 mei 2018 te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de FML van 26 september 2017. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één van de eerder geselecteerde functies gehandhaafd en drie nieuwe functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat appellant 69,18% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Op 17 mei 2018 heeft het Uwv zijn voornemen tot het nemen van een herzien besluit kenbaar gemaakt aan appellant. Appellant heeft een zienswijze gegeven. Bij besluit van 31 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de ZW-uitkering per 1 juli 2018 beëindigd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek en heeft geen aanleiding gezien om de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Appellant heeft in beroep geen medische stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat hij op de datum in geding op medisch objectieve gronden meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd. De rechtbank heeft daarom de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ter zitting is gebleken dat appellant zich per 30 oktober 2018 vanuit de WW opnieuw heeft ziekgemeld, maar het is de rechtbank niet gebleken dat dit gevolgen heeft voor de beoordeling van het bestreden besluit. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de belasting van de voor appellant geselecteerde functies zijn mogelijkheden overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het medisch onderzoek onvoldoende, ontoereikend en onzorgvuldig is geweest en dat hij volledig arbeidsongeschikt is dan wel meer beperkt is dan het Uwv heeft weergegeven in de FML. Appellant heeft er verder op gewezen dat het Uwv hem sinds 30 oktober 2018 weer arbeidsongeschikt acht en hem per 29 januari 2019 een ZW-uitkering heeft toegekend. Volgens appellant heeft het Uwv niet gemotiveerd dat hij van 1 juli 2018 tot 30 oktober 2018 voldoende verdiencapaciteit had, terwijl vaststaat dat hij lijdt aan een chronische, progressieve aandoening. Appellant heeft aangevoerd dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 1 juli 2018 onvoldoende wordt gedragen door het medisch onderzoek en de beoordeling door de verzekeringsarts.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 11 juli 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft verder gewezen op twee rapporten van de verzekeringsarts van 8 januari 2019 en 27 juni 2019 die zijn opgesteld naar aanleiding van de ziekmelding per 30 oktober 2018.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid en dat appellant op 1 juli 2018 in staat moet worden geacht om de geselecteerde functies te verrichten. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de aangevallen uitspraak worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die een onderbouwing bieden voor zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen op de datum in geding heeft onderschat. In het rapport van 11 juli 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gemotiveerd dat de FML van 26 september 2017 ook actueel was op de (verschoven) datum in geding van 1 juli 2018. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dat rapport, onder verwijzing naar het rapport van 8 januari 2019 van de verzekeringsarts, dat is opgesteld in het kader van de ziekmelding per 30 oktober 2018, te kennen gegeven dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant na 1 juli 2018 is gewijzigd, en dat het feit dat de ziekmelding van appellant per 30 oktober 2018 door het Uwv is geaccepteerd weinig zegt over de toestand van appellant op 30 oktober 2018 en al helemaal niets over de toestand op 1 juli 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarbij op gewezen dat appellant bij zijn ziekmelding per 30 oktober 2018 een toename van zijn klachten had gemeld en dat de verzekeringsarts had besloten hierover informatie op te vragen bij de behandelend sector. Dit toereikend gemotiveerde standpunt wordt onderschreven. Daarbij wordt tevens van belang geacht dat het Uwv in zijn aanvullend verweerschrift van 17 juli 2019, onder verwijzing naar het rapport van 27 juni 2019 van de verzekeringsarts, dat is opgesteld in het kader van de ziekmelding per 30 oktober 2018, nader heeft toegelicht dat de ziekmelding per 30 oktober 2018 is geaccepteerd in verband met psychische klachten (meer in het bijzonder klachten passend bij een angststoornis) en dat de medische situatie samenhangend met de Ziekte van Ménière niet is verslechterd.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.1.

Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt het volgende overwogen.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). In het geval van appellant zijn vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 6 november 2017 door het Uwv tot de datum van deze uitspraak minder dan vier jaar verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake, zodat het verzoek voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het van het EVRM wordt afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) A.M.M. Chevalier