Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
19/2960 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 27 april 2017 tot 24 mei 2018. Het sociaal medisch advies van 2 augustus 2017 geeft geen inzicht in de overwegingen van de adviserend geneeskundige die hebben geleid tot zijn conclusie. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na de zitting van de Raad van 20 mei 2020 heeft adviserend geneeskundige [B] van GGD Haaglanden op verzoek van het college nader medisch onderzoek verricht. [B] heeft de anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek verricht, het loop- en verdere bewegingspatroon, de overgelegde/aangeleverde medische informatie en de inhoud van het dossier bestudeerd. De arts heeft schriftelijk en telefonisch informatie ingewonnen bij de huisarts. Er is vanuit de traumatologie en revalidatie informatie ingewonnen. Verder is er telefonisch contact geweest met de binnen het revalidatiecentrum werkzame revalidatiearts en fysiotherapeut, beiden betrokken bij de recente revalidatie, en er is telefonisch contact met de radioloog geweest. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de GGD Haaglanden van 2 augustus 2017, aangevuld met de medische beoordeling van [B] van 11 september 2020. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant de conclusies van deze beoordelingen niet met medische stukken onderbouwd heeft weerlegd. Voor zover [B] opmerkt dat hij zich onthoudt van een conclusie over de huidige situatie van appellant, oordeelt de Raad dat dit niet ziet op de periode hier in geding. Het bestreden besluit is, gelet op de nadere motivering door de arts [B], pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2960 BABW

Datum uitspraak: 8 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2019, 18/3803 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 20 mei 2020. Appellant heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Blankenstein. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Het college heeft een sociaal medisch advies van 11 september 2020 overgelegd. Partijen hebben over en weer gereageerd. Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Khougiani.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft bij besluit van 15 mei 2012 aan appellant een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) type bestuurder toegekend voor de duur van vijf jaar. Hieraan heeft het college het sociaal medisch advies van 10 mei 2012 van adviserend geneeskundige [X] van GGD Den Haag ten grondslag gelegd. Op 5 september 2013 heeft het college aan appellant een bewonersparkeervergunning gehandicapten verleend.

1.2.

Appellant heeft op 27 april 2017 opnieuw een aanvraag ingediend voor een GPK type bestuurder.

1.3.

Op 2 augustus 2017 heeft de adviserend geneeskundige J. [A] van de GGD Haaglanden geadviseerd de aanvraag voor een GPK af te wijzen, omdat appellant niet voldoet aan de criteria. De loopafstand van appellant is meer dan 100 meter en er is geen sprake van een loopbeperking van langdurige aard. [A] is tot deze conclusie gekomen na observatie, een gesprek en bestudering van medicatiegebruik en schriftelijke informatie van recente onderzoeken en adviezen.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 24 augustus 2017, onder verwijzing naar het sociaal medisch advies van 2 augustus 2017, de aanvraag voor een GPK type bestuurder afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de bewonersparkeervergunning gehandicapten van appellant ingetrokken, omdat appellant niet meer in het bezit is van een geldige GPK. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 24 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 24 augustus 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het sociaal medisch advies van 2 augustus 2017 niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Appellant heeft geen (tegen)advies van een onafhankelijke medische deskundige overgelegd waaruit blijkt dat hij wel aan de criteria voldoet. Er is geen aanleiding voor het oordeel het medisch onderzoek door de adviserend arts onzorgvuldig dan wel de uitkomsten daarvan onjuist te achten. Het college had dan ook geen nader onderzoek moeten verrichten, door bijvoorbeeld een nader medisch advies te vragen.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij een verlenging van de geldigheidsduur van de GPK een medische keuring niet noodzakelijk is. Verder is het sociaal medisch advies van 2 augustus 2017 niet zorgvuldig tot stand gekomen en is het onduidelijk hoe de adviserend geneeskundige tot zijn conclusie is gekomen. Het nadere advies van de GGD van 11 september 2020 is niet duidelijk en moet in het voordeel van appellant worden gelezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 27 april 2017 tot 24 mei 2018.

4.2.

De Raad stelt voorop dat de omstandigheid dat aan appellant voorheen een GPK is verleend en zijn situatie, naar hij stelt, niet is gewijzigd niet afdoet aan de bevoegdheid van het college om bij een volgende aanvraag opnieuw een medische keuring aan te vragen.

4.3.

Het sociaal medisch advies van 2 augustus 2017 geeft geen inzicht in de overwegingen van de adviserend geneeskundige die hebben geleid tot zijn conclusie. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4.

Na de zitting van de Raad van 20 mei 2020 heeft adviserend geneeskundige [B] van GGD Haaglanden op verzoek van het college nader medisch onderzoek verricht. [B] heeft de anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek verricht, het loop- en verdere bewegingspatroon, de overgelegde/aangeleverde medische informatie en de inhoud van het dossier bestudeerd. De arts heeft schriftelijk en telefonisch informatie ingewonnen bij de huisarts. Er is vanuit de traumatologie en revalidatie informatie ingewonnen. Verder is er telefonisch contact geweest met de binnen het revalidatiecentrum werkzame revalidatiearts en fysiotherapeut, beiden betrokken bij de recente revalidatie, en er is telefonisch contact met de radioloog geweest. [B] heeft vervolgens geconstateerd dat uit de verkregen informatie niet duidelijk is geworden waarom in 2012 voor een periode van vijf jaar gehandicaptenparkeervoorzieningen zijn toegekend. De ingewonnen informatie vanuit de traumatologie vermeldt dat destijds met name ten gevolge van een motorongeval in juli 2009 sprake was van kwetsuur van de rechter pols/hand en een kneuzing van de linker knie. Verder was er bij onderzoek in verband met het trauma ook slijtage aan de nekwervels te zien. Een en ander is volgens [B] echter in het geheel geen duidelijke reden voor toekenning van een gehandicaptenparkeervoorziening, en al helemaal niet voor vijf jaar.

Dat de arts [A] in zijn medisch advies van 2 augustus 2017 negatief heeft geadviseerd, is niet onbegrijpelijk volgens [B]. In de informatie van de huisarts ontbrak ook toen al informatie vanwege consultatie van een orthopeed in de laatste paar jaar. Ook nu is aan te nemen dat er meer recent geen (echt wezenlijk eventueel) contact met een orthopeed dan wel met een reumatoloog is geweest. Gezien ook de nu van de huisarts verkregen informatie, het telefonisch contact met een polikliniek voor orthopedie en het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur in verband met de advisering is er volgens [B] nu geen duidelijke reden om een wezenlijke loopbeperking destijds vanwege het functioneren van het loopapparaat aan te nemen.

4.5.

Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de GGD Haaglanden van 2 augustus 2017, aangevuld met de medische beoordeling van [B] van 11 september 2020. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant de conclusies van deze beoordelingen niet met medische stukken onderbouwd heeft weerlegd. Voor zover [B] opmerkt dat hij zich onthoudt van een conclusie over de huidige situatie van appellant, oordeelt de Raad dat dit niet ziet op de periode hier in geding.

4.6.

Het bestreden besluit is, gelet op de nadere motivering door de arts [B], pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.496,- in beroep en op € 1.870,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.366,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.366,-;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 298,-

vergoedt aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) G.S.M. van Duinkerken