Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
20/1192 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1192 WIA

Datum uitspraak: 1 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 februari 2020, 19/613 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex-werkgever] B.V. (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.P.J. Frijns, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de ex-werkgever heeft [naam] een schriftelijke uiteenzetting ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 28 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Frijns. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. De ex-werkgever heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als verkoopster detailhandel voor 31,69 uur per week. Op 19 augustus 2011 heeft appellante zich met locomotore klachten ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 21 augustus 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante per 13 september 2017 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellante heeft op 14 mei 2018 een WIA-uitkering aangevraagd, omdat haar gezondheid is verslechterd. Naar aanleiding van deze melding is appellante onderzocht op het spreekuur van een arts van het Uwv. Deze arts heeft haar belastbaarheid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juni 2018. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML vastgesteld dat er geen functies konden worden geselecteerd die voldoen aan de belastbaarheid van appellante. Bij besluit van 3 juli 2018 heeft het Uwv appellante vanaf 8 januari 2018 weer een WIA-uitkering toegekend. Appellante is voor 100% arbeidsongeschikt geacht.

1.3.

De ex-werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juli 2018 en er daarbij onder meer op gewezen dat niet uit het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is gebleken dat appellante weer arbeidsongeschikt is geworden door dezelfde ziekteoorzaak. Naar aanleiding van het bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 5 december 2018 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de klachten van de linkerenkel of de psychische klachten, die eerder hebben geleid tot het recht op een WIA-uitkering, zijn toegenomen. Er kan niet worden gesteld dat de huidige klachten en beperkingen als gevolg van nekhernia op basis van artrose voortvloeien uit de eerdere klachten van de linkerenkel of de psychische klachten. Op 10 december 2018 heeft het Uwv zijn voornemen tot het nemen van een herzien besluit kenbaar gemaakt aan appellante en aan de ex-werkgever. Appellante heeft een zienswijze gegeven. In een rapport van 9 januari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarop gereageerd. Bij beslissing op bezwaar van 14 januari 2019 (bestreden besluit) is de WIA-uitkering van appellante per 13 februari 2019 beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om het medisch oordeel voor onjuist te houden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de medische rapporten voldoende inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat er op 8 januari 2018 een medisch objectiveerbare toename van de aanwezige problematiek heeft plaatsgevonden. Hoewel de beenklachten kennelijk zijn toegenomen blijkt niet dat appellante niet conform de destijds vastgestelde beperkingen belastbaar zou zijn. Ook ten aanzien van de ADHD en de borderline persoonlijkheidsproblematiek werd er door de primaire arts geen melding gemaakt van een toename op medisch objectief vlak. Daarbij is opgemerkt dat de ziekmelding per 8 januari 2018 te maken had met klachten van de nek en de linkerarm.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat wel sprake is van een toename van de klachten die eerder hebben geleid tot het recht op een WIA-uitkering. Appellante heeft verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd. Appellante voelt zich niet gehoord en serieus genomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft aangevoerd dat de borderlinepersoonlijkheid, ADHD en sudeck dystrofie linkerenkel die eerder tot haar arbeidsongeschiktheid hebben geleid, substantieel ertoe hebben bijgedragen dat zij opnieuw is uitgevallen. De dystrofieklachten en de ADHD-klachten zijn toegenomen. Appellante ziet hiervoor bevestiging in het rapport van de primaire arts van het Uwv. Zij heeft er op gewezen dat zij ten tijde van belang medicatie gebruikte voor de borderline klachten nadat dit enige tijd niet nodig was geweest. Daarnaast heeft zij inmiddels, op voorschrijven van een orthopeed, orthopedische schoenen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGAuitkering.

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van 8 januari 2018 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er een zorgvuldig en volledig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv met de rapporten van 5 december 2018, 9 januari 2019 en 22 mei 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd heeft dat er geen aanleiding is om ten opzichte van de beperkingen die destijds in verband met borderline persoonlijkheid, ADHD en sudeck dystrofie linkerenkel zijn aangenomen meer beperkingen aan te nemen. Niet is in geschil dat de nek- en armklachten in 2018 voortkomen uit een andere oorzaak dan de medische klachten in 2017 omdat er destijds geen sprake was van nek- en armklachten. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwd dat in vergelijking tot de beoordeling, die heeft geleid tot beëindiging van de WIA-uitkering per 13 september 2017, de beperkingen als gevolg van deze bij appellante bestaande klachten niet zijn toegenomen. Naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid is vastgesteld dat appellante het mentaal moeilijk heeft met de aanwezige lichamelijke klachten wat meer past bij spannings- of aanpassingsproblematiek. Appellante heeft haar standpunt dat er toegenomen psychische beperkingen zijn, noch in beroep noch in hoger beroep met medische gegevens onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook overtuigend gemotiveerd dat uit het gegeven dat appellante aangeeft steunkousen te dragen en recent is verwezen voor orthopedisch schoeisel geen medisch objectieve toename van de eerdere klachten van de linkerenkel blijkt. Uit de informatie van de huisarts blijkt niet dat de beperkingen van de enkel zijn toegenomen. Dat door de primaire arts wel een toename van de reeds bestaande beperkingen is vastgesteld volgt niet uit het rapport van 25 juni 2018.

4.4.

Uit overweging 4.3 volgt dat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel