Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
18/2090 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht geweigerd terug te komen van het besluit van 18 maart 2005, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het in 2005 genomen besluit onjuist zou zijn. De nieuw gestelde diagnose ASS is niet aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de rapporten van de verzekeringsarts uit 2005 blijkt immers dat de psychische problematiek van appellant bekend was. Deze psychische klachten zijn destijds door de verzekeringsarts gediagnosticeerd als een aanpassingsstoornis en een obsessieve compulsieve stoornis, waarvoor beperkingen zijn aangenomen in een FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2018, 17/2123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 september 2021

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een aanvullend hogerberoepschrift met medische stukken ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van videobellen, plaatsgevonden op 16 december 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter en zus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft gereageerd op de door appellant ingediende medische stukken.

De zaak is op een nadere zitting van 21 juli 2021, gedeeltelijk door middel van videobellen, hervat. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter en zijn zus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig varkenshouder en voor 20 uur per week als chauffeur. Op 19 mei 2003 heeft hij zich voor zijn werk als chauffeur vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld vanwege spanningsklachten ten gevolge van een conflict met het waterschap te [plaatsnaam].

1.2.

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 17 mei 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 15 tot 25%. Deze WAO-uitkering is per 19 december 2006 ingetrokken.

1.3.

Op 27 juni 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). In deze aanvraag heeft appellant vermeld per 11 juni 2003 arbeidsongeschikt te zijn als gevolg van spannings- en schouderklachten.

1.4.

Bij besluit van 18 maart 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant per 9 juni 2004 een WAZuitkering toe te kennen. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts van 14 en 28 januari 2005. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit rechtens vaststaat.

1.5.

Op 1 november 2016 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht hem een WAZ-uitkering toe te kennen. In deze aanvraag heeft appellant verwezen naar zijn melding van arbeidsongeschiktheid per 25 juni 2003 bij Interpolis.

1.6.

Bij besluit van 30 november 2016 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 18 maart 2005, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het in 2005 genomen besluit onjuist zou zijn. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts van 25 november 2016.

1.7.

Bij besluit van 20 juni 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit van 18 maart 2005 moet worden afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn vermeld. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2017.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wat appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 1 november 2016 en in de bezwaar- en beroepsfase naar voren heeft gebracht, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 18 maart 2005. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bekend is met de psychische klachten van appellant in relatie met zijn sociale omstandigheden van procedures met het waterschap, op grond waarvan het Uwv heeft vastgesteld dat appellant is aangewezen op werkzaamheden passend bij zijn leeftijd, constitutie, opleiding en werkervaring, waarbij stresserende activiteiten moeten worden vermeden. Ook toen heeft appellant vermeld dat deze klachten bestaan sinds 2000, maar hierin is geen aanleiding gezien om van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 11 juni 2003 uit te gaan omdat niet is onderbouwd dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid op een eerdere dag moet worden gesteld. De belastbaarheid van appellant is destijds beschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding geeft zijn belastbaarheid te wijzigen. Uit de in het dossier voorhanden informatie blijkt weliswaar dat de klachten van appellant al langer (sluimerend) aanwezig waren, maar de problematiek was niet dermate ernstig om eerder dan in juli 2003 therapie in te zetten. Het Uwv was bekend met deze bevindingen en heeft deze destijds meegewogen in de beoordeling van appellants klachten en beperkingen. Volgens het Uwv zijn er geen medische argumenten om af te wijken van 11 juni 2003 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. Wat appellant heeft aangevoerd leidt evenmin tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische stoornis in 2000 is begonnen door problemen met het waterschap. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar brieven van psychiater R. van Harn van 18 januari 2019 en 24 april 2019 en naar een brief van psychiater Van Harn en psycholoog I. van den Broek van 16 november 2020 van GGZ-instelling Reinier van Arkel. Uit deze brieven komt naar voren dat sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS), welke diagnose volgens appellant is aan te merken is als een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb omdat deze diagnose de starheid van appellant vanaf 2000 – door de verzekeringsarts destijds aangeduid als een aanpassingsstoornis – in een ander daglicht plaatst en daarmee tot een ander beeld van de belastbaarheid van appellant leidt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, waarbij het Uwv verwijst naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 februari 2021.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat de strekking van de aanvraag van 2016 van appellant is om terug te komen van het besluit van 18 maart 2005, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellant per 9 juni 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft het Uwv in zijn besluitvorming van 30 november 2016 toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 20 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3348) dat de bestuursrechter in zo’n geval aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden alleen toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep, met dien verstande dat appellant in hoger beroep medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat inmiddels vast is komen te staan dat sprake is van ASS. Deze diagnose is niet aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de rapporten van de verzekeringsarts uit 2005 blijkt immers dat de psychische problematiek van appellant bekend was. Deze psychische klachten zijn destijds door de verzekeringsarts gediagnosticeerd als een aanpassingsstoornis en een obsessievecompulsieve stoornis, waarvoor beperkingen zijn aangenomen in een FML. De stelling van appellant dat bij de beoordeling in 2005 een ander beeld van zijn psychische belastbaarheid zou zijn verkregen als zijn klachten niet alleen in verband waren gebracht met zijn psychische problematiek in relatie tot de stress door de problemen met het waterschap, maar specifiek met ASS, kan daarom niet leiden tot de conclusie dat wel sprake is van een nieuw feit. Daarbij is ook van belang dat enkel een diagnose geen duidelijkheid biedt omtrent de voor de individuele betrokkene aan te nemen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn conclusie dat met deze diagnose weliswaar verdedigd kan worden dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2005 mogelijkerwijs ook al sprake zou kunnen zijn geweest van een doorbrekende autismestoornis, maar dat in wezen in de recent uitgevoerde onderzoeken door GGZ-instelling Reinier van Arkel alsook bij de beoordeling destijds door de verzekeringsarts van het Uwv dezelfde symptomen zijn gezien en benoemd, waarbij hetzelfde klinische beeld is beschreven. Er zijn daarom onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het Uwv zich ten onrechte, onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feit is vermeld. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Dit betekent dat het Uwv de aanvraag van appellant terecht op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen.

4.3.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021.

E.W. Akkerman

M. Géron