Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
19/2180 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv niet in strijd met de werkinstructie ‘Laattijdige aanvragen Wajong’ heeft gehandeld. De rechtbank heeft het Uwv ook terecht gevolgd in het standpunt gesteld dat er onvoldoende objectieve gegevens zijn om de arbeidsongeschiktheid op zeventien- of achttienjarige leeftijd bij appellante vast te kunnen stellen. Medische rapportages van hulpverleners of psychologische onderzoeken uit de periode rond de Wajong-gerechtigde leeftijd van appellante ontbreken. De omstandigheid dat gegevens over de voor de Wajong relevante periode door het tijdsverloop niet meer voorhanden zijn, komt naar vaste rechtspraak voor risico van degene die de laattijdige aanvraag indient (bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477). Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2180 WAJONG

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 april 2019, 18/1370 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, plaatsgevonden op 22 juli 2021. Appellante is verschenen, vergezeld door haar broer en bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren [geboortedatum] 1967. Op 9 november 2017 heeft zij een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend bij het Uwv waarbij zij heeft verzocht om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij haar aanvraag heeft appellante een rapport, opgesteld in het kader van een in januari 2017 verricht gedragswetenschappelijk onderzoek, ingediend. Bij besluit van

20 november 2017 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts, ten grondslag gelegd dat wegens het ontbreken van objectiveerbare medische gegevens geen professioneel aanvaardbare en onderbouwde conclusie is te trekken over de belastbaarheid van appellante op haar zeventiende en achttiende jaar.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 20 november 2017 gemaakte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag van appellante moet worden bezien in het kader van de artikelen 5 en 6 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die ten tijde van de achttiende verjaardag van appellante golden. Volgens deze artikelen heeft de verzekerde die vanaf zijn zeventiende verjaardag gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad die inhoudt dat bij een laattijdige aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering de bewijslast ligt bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is verricht en er geen aanleiding is om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat deze arts afdoende heeft gemotiveerd dat de bevindingen uit het gedragsonderzoek uit 2017, te weten dat appellante een matige verstandelijke beperking heeft, het gegeven dat appellante in WSW-verband stage heeft gelopen en de verklaringen van appellante en haar familie over onder meer leerproblemen, onvoldoende zijn om te concluderen dat er bij appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd relevante funtionele beperkingen als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek bestonden. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv zijn eigen werkinstructie bij laattijdige Wajong-aanvragen niet heeft gevolgd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van de AAW en de werkinstructie. Appellante is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aan te tonen dat zij op zeventien- en achttienjarige leeftijd voldeed aan de voorwaarden voor een AAW-uitkering.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Het Uwv heeft in strijd gehandeld met het in de werkinstructie ‘Laattijdige aanvragen Wajong’ beschreven stappenplan. Volgens dit stappenplan dient bij een laattijdige aanvraag als eerste te worden beoordeeld of op zeventien- en achttienjarige leeftijd bij de betrokkene sprake was van ziekte of gebrek, en dient vervolgens bij stap 2 te worden beoordeeld of op de aanvraagdatum sprake is van arbeidsvermogen op grond van de Wajong danwel voor de AAW sprake is van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid een jaar voor de aanvraagdatum. De vraag naar de beperkingen, zoals die op zeventien- en achttienjarige leeftijd uit de aanwezige ziekte of gebrek voortvloeiden, komt pas als laatste stap aan de orde. Appellante is van mening dat de aanwezigheid van ziekte of gebrek op zeventien- en achttienjarige leeftijd voldoende aannemelijk is, nu uit een gedragswetenschappelijk onderzoek van januari 2017 blijkt dat appellante functioneert op matig verstandelijk beperkt niveau, een TIQ van 46, passend bij een referentieleeftijd van vier tot negen jaar waarbij ondersteuning nodig is op alle leeftijdsgebieden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv niet in strijd met de werkinstructie ‘Laattijdige aanvragen Wajong’ heeft gehandeld. De werkinstructie houdt een beoordelingskader in voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige waarbij een aantal praktische handvatten wordt geboden bij de beoordeling van laattijdige Wajong-aanvragen. De beoordeling is uitgewerkt in een aantal logische stappen die aangeven hoe de denklijn er bij laattijdige aanvragen uitziet en waar belangrijke aandachtspunten liggen voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. In de werkinstructie is aangegeven dat stappen niet in een direct logische volgorde staan en dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige tijdens de intake bepalen bij welke stap het onderzoek logischerwijs het beste kan beginnen. Niet alle stappen hoeven aan de orde te komen om vast te stellen of een betrokkene in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Als noodzakeijke objectieve informatie ontbreekt om beperkingen tengevolge van ziekte of gebrek te kunnen vaststellen op zeventien- en achttienjarige leeftijd richt het onderzoek zich op deze constatering en de onderbouwing daarvan door de verzekeringsarts, aldus de werkinstructie.

4.1.2.

Het voorgaande biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat de werkinstructie bindend voorgeschreven richtlijnen voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige inhoudt waarbij de stappen en daarin opgenomen deelvragen in de werkinstructie in een voorgeschreven volgorde moeten worden beoordeeld. Dit maakt dat het Uwv door in het geval van appellante te beginnen met de laatste deelvraag (’was de betrokkene per einde wachttijd arbeidsongeschikt in de zin van de AAW?’) niet in strijd heeft gehandeld met de werkinstructie.

4.2.

De rechtbank heeft het Uwv ook terecht gevolgd in het standpunt gesteld dat er onvoldoende objectieve gegevens zijn om de arbeidsongeschiktheid op zeventien- of achttienjarige leeftijd bij appellante vast te kunnen stellen. Medische rapportages van hulpverleners of psychologische onderzoeken uit de periode rond de Wajong-gerechtigde leeftijd van appellante ontbreken. Behalve het bij de aanvraag gevoegde gedragswetenschappelijk onderzoek uit januari 2017, waarin een matige tot licht verstandelijke beperking bij appellante is vastgesteld, is in bezwaar alleen een

stage-overeenkomst van 9 september 1986 overgelegd. Daaruit blijkt dat appellante in het kader van haar opleiding Deeltijd Kort MBO op twee dagen per week een stage is gaan volgen bij de afdeling [afdeling] van [naam bedrijf] . Objectieve gegevens over het functioneren van appellante tijdens die stageperiode ontbreken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend op basis van de in januari 2017 vastgestelde IQ-score de belastbaarheid van appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd niet op een betrouwbare en verantwoorde manier kan worden vastgesteld, omdat naast het IQ ook andere factoren het functioneren van een betrokkene bepalen. Er is geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit standpunt niet te volgen. De omstandigheid dat gegevens over de voor de Wajong relevante periode door het tijdsverloop niet meer voorhanden zijn, komt naar vaste rechtspraak voor risico van degene die de laattijdige aanvraag indient (bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477).

4.4.

Uit 4.1.1, 4.1.2 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Géron