Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
19/5108 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beoordelingen door het Uwv. De rechtbank heeft terecht de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat er behandelmogelijkheden zijn en dat de aandoeningen van appellante niet zodanig ernstig zijn dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht waardoor niet uitgesloten is dat appellante arbeidsvermogen kan ontwikkelen. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep nader heeft aangevoerd en de informatie die zij heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, onder verwijzing naar haar eerdere rapporten, inzichtelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van een ziektebeeld dat als progressief moet worden beschouwd. De ADHD is stationair en een somatischsymptoomstoornis (fibromyalgie) is met de juiste behandelingen niet progressief. Dat sprake zou zijn van een depressief beeld volgt niet uit de informatie in het dossier. Uit de informatie van de behandelend GZ-psycholoog van 20 december 2018 volgt dat er behandelmogelijkheden zijn. Er bestaat geen aanleiding om aan het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Tot slot wordt overwogen dat de door appellante overgelegde indicatie van de wijkverpleegkundige van 16 januari 2020 niet tot een ander oordeel leidt. Dit betreft namelijk geen informatie die ziet op de medische situatie van appellante op de datum in geding. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5108 WAJONG

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 november 2019, 19/414 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum] 1997. Met een door het Uwv op 7 januari 2015

ontvangen formulier heeft appellante een aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Bij besluit van 3 augustus 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 september 2016 (HAA 15/3897) heeft de rechtbank Noord-Holland het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 16 maart 2015 staat daarom in rechte vast.

1.2.

Met een door het Uwv op 29 mei 2018 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw om een beoordeling van haar arbeidsvermogen verzocht. Het Uwv heeft deze aanvraag gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 maart 2015. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 12 juli 2018 heeft het Uwv het verzoek afgewezen, omdat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.3.

Bij besluit van 25 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van

appellante tegen het besluit van 12 juli 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij het in het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 12 juli 2018 moet toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden alsof dit het eerste besluit op de aanvraag van appellante was. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de medische en arbeidskundige onderzoeken. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische en arbeidskundige beoordelingen inhoudelijk onjuist zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van een progressief ziektebeeld of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en de aandoening niet zodanig ernstig is dat geen toename van bekwaamheden mag worden verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben volgens de rechtbank in gezamenlijk overleg vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de duurzaamheid te twijfelen. Appellante heeft in beroep geen (nieuwe) gegevens overgelegd die haar standpunt ondersteunen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat, uitgaande van de situatie dat er behandelmogelijkheden zijn, appellante in de toekomst niet meer zal voldoen aan de criteria in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat appellante geen arbeidsvermogen had maar dat deze situatie nog niet is te kwalificeren als duurzaam.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Volgens appellante heeft zij geen arbeidsvermogen en kan zij dit ook niet ontwikkelen. Haar klachten nemen toe en zij gaat alleen maar achteruit, ondanks behandeling bij de GGZ. Zij heeft toegenomen fysieke en psychische klachten. Appellante krijgt dagelijks hulp van de wijkverpleegkundige bij basale verrichtingen zoals douchen, aankleden en haren kammen. Daarnaast krijgt zij twee tot drie keer per week persoonlijke begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige. Er zijn volgens appellante geen behandelmogelijkheden meer en niet valt in te zien dat in de toekomst sprake zal zijn van een toename van bekwaamheden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een indicatie van de wijkverpleegkundige van 16 januari 2020 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2020.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018, en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of uitgesloten is dat appellante arbeidsvermogen kan ontwikkelen in die zin dat zij in de toekomst ten minste vier uur per dag belastbaar zal zijn en ten minste één uur aaneengesloten zal kunnen werken.

4.3.

Voor het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van

16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286, en 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.4.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beoordelingen door het Uwv. De rechtbank heeft terecht de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat er behandelmogelijkheden zijn en dat de aandoeningen van appellante niet zodanig ernstig zijn dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht waardoor niet uitgesloten is dat appellante arbeidsvermogen kan ontwikkelen. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep nader heeft aangevoerd en de informatie die zij heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, onder verwijzing naar haar eerdere rapporten, inzichtelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van een ziektebeeld dat als progressief moet worden beschouwd. De ADHD is stationair en een somatischsymptoomstoornis (fibromyalgie) is met de juiste behandelingen niet progressief. Dat sprake zou zijn van een depressief beeld volgt niet uit de informatie in het dossier. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante geen arbeidsvermogen als gevolg van de beperkingen van de somatisch-symptoomstoornis in combinatie met de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, de afhankelijke relatie met haar moeder en de psychosociale stress in het gezin. Uit de informatie van de behandelend GZ-psycholoog van 20 december 2018 volgt dat er behandelmogelijkheden zijn. De ingezette behandeling bestaat uit begeleidende gesprekken thuis met appellante en het gezin om de zelfstandigheid van appellante te bevorderen (zelfstandig wonen) en haar zelfgevoel te verbeteren. Verder wordt met medicatie ingezet op vermindering van de pijnklachten. Voor de somatischsymptoomstoornis is een revalidatietraject mogelijk waarbij behandeling gecombineerd kan worden met het verbeteren van het functioneren door graded activity, het verbeteren van het leren omgaan met de beperkingen (copingstijl), en het vergroten van de zelfstandigheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat met adequate behandeling (geleidelijke) verbetering mogelijk is waardoor appellante weer ten minste vier uur per dag belastbaar zal worden en ten minste één uur aaneengesloten zal kunnen werken. Er bestaat geen aanleiding om aan het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Tot slot wordt overwogen dat de door appellante overgelegde indicatie van de wijkverpleegkundige van 16 januari 2020 niet tot een ander oordeel leidt. Dit betreft namelijk geen informatie die ziet op de medische situatie van appellante op de datum in geding.

4.6.

Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is er geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige. Het verzoek van appellante wordt daarom afgewezen.

5. Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van
A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
26 augustus 2021.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) A.M.M. Chevalier