Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
19/3317 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:2943, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk strafontslag. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet (volledig) kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3317 AW

Datum uitspraak: 2 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 juni 2019, 18/4838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021. Namens appellant is mr. Dane verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.F.M.J. van den Einden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de politie-eenheid [regio], laatstelijk als generalist GGP bij het basisteam [standplaats].

1.2.

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de korpschef appellant de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie van ten hoogste twee dagen. Door het niet voorkomen van meerdere loonbeslagen en deze beslagleggingen niet vooraf te melden aan zijn trajectleider heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Appellant is erop gewezen dat wanneer hij zich in de toekomst wederom schuldig maakt aan enige vorm van plichtsverzuim hij er rekening mee dient te houden dat er verregaande maatregelen getroffen worden, waarbij een ontslag niet valt uit te sluiten.

1.3.

Vanwege twee nieuwe loonbeslagen heeft de korpschef appellant bij besluit van 5 juli 2016 de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met veertig uur. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door een tweetal (aankomende) loonbeslagen niet uit eigen initiatief te melden bij zijn leidinggevende terwijl appellant vanaf het ontstaan van zijn schulden in 2014 en 2015 daarvoor ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Ook was appellants leidinggevende niet op de hoogte van de zittingen bij de rechtbank. Daarnaast heeft de korpschef appellant meegedeeld dat van hem wordt verwacht dat hij zijn financiële situatie op orde brengt en dat hij uit eigen initiatief openheid van zaken geeft aan zijn leidinggevende. Opgemerkt is dat indien wederom een loonbeslag zal worden gelegd of indien een vooraankondiging tot een loonbeslag aan de politie wordt gezonden, appellant rekening dient te houden met verdergaande disciplinaire maatregelen waarbij ontslag niet op voorhand wordt uitgesloten.

1.4.

Bij besluit van 29 maart 2017, bekend gemaakt op 29 mei 2017, heeft de korpschef appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar opgelegd in verband met herhaalde loonbeslagen en zittingen bij de rechtbank waarvan appellant zijn leidinggevende wederom niet op de hoogte had gesteld. Hierbij heeft de korpschef vermeld dat van appellant wordt verwacht dat hij zijn financiële situatie op orde brengt en houdt en dat hij uit eigen initiatief openheid van zaken geeft aan zijn leidinggevende. Appellant is met klem aangeraden om hulp te zoeken teneinde zijn financiële administratie op orde te krijgen en te houden. Verder heeft de korpschef opgemerkt dat deze voorwaardelijke straf ten uitvoer zal worden gelegd indien wederom een loonbeslag onder de politie gelegd zal worden of indien een vooraankondiging tot een loonbeslag aan de politie wordt gezonden. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Appellant heeft zich op 6 juli 2017 ziekgemeld wegens stress gerelateerde klachten.

1.6.

Bij brief van 21 augustus 2017 is appellant naar aanleiding van een op 20 juni 2017 gelegd loonbeslag, dat appellant wederom niet aan zijn leidinggevende had gemeld, meegedeeld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat de korpschef voornemens is om met onmiddellijke ingang de in het besluit van 29 maart 2017 opgelegde straf ten uitvoer te leggen. In zijn schriftelijke zienswijze van 30 augustus 2017 heeft appellant naar voren gebracht dat hij is gediagnosticeerd met PTSS en dat hij meent dat nader medisch onderzoek geboden is om te beoordelen of de gedragingen toerekenbaar zijn. De korpschef heeft vervolgens besloten een onderzoek naar de toerekenbaarheid te laten instellen door medisch adviesbureau Triage.

1.7.

Op 6 oktober 2017 en op 1 november 2017 is de korpschef opnieuw geconfronteerd met loonbeslagen waar appellants leidinggevende niet vooraf van op de hoogte was gesteld. Bij brieven van 30 oktober 2017 en 22 november 2017 heeft de korpschef de motivering van het voornemen om de straf ten uitvoer te leggen aangevuld met deze ontwikkelingen. Appellant heeft zijn zienswijze eveneens aangevuld.

1.8.

Op 2 januari 2018 heeft [naam], arts-medisch adviseur van medisch adviesbureau Triage, advies uitgebracht over de vraag of het plichtsverzuim appellant kan worden toegerekend.

1.9.

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft de korpschef de in het besluit van 29 maart 2017 opgelegde straf met onmiddellijke ingang ten uitvoer gelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verweten plichtsverzuim hem niet of in mindere mate kan worden toegerekend.

1.10.

Bij besluit van 3 mei 2018 heeft de korpschef appellants PTSS gekwalificeerd als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

1.11.

Bij besluit van 14 juni 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke ontslag overeenkomstig het advies van de bezwaaradviescommissie HRM ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant de voorwaarden van het voorwaardelijk strafontslag van 2017 niet heeft nageleefd en dat daarmee sprake is van soortgelijk plichtsverzuim. Appellant heeft aangevoerd dat het verweten plichtsverzuim niet aan hem is toe te rekenen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637 en 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire maatregel van ontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire maatregel rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of het bestuursorgaan de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging heeft kunnen komen.

4.3.

Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

4.4.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.

4.4.1.

De korpschef heeft, anders dan appellant aanvoert, zijn standpunt dat het plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend mede op het rapport van Triage kunnen baseren. Dit onderzoek, waarbij de arts zich enkel heeft gebaseerd op door hem ingewonnen informatie van appellants huisarts, de bedrijfsarts en de behandelend psycholoog van de GGZ, wordt in het licht van bovenstaand toetsingskader voldoende zorgvuldig geacht. Anders dan appellant aanvoert, ziet dit rapport ook op de periode na 2016. Dit blijkt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uit het gehele rapport, ook al wordt 2017 niet expliciet vermeld in de conclusie. De arts heeft geconcludeerd dat appellant in staat moet worden geacht vanaf begin 2016 zijn zaken adequaat te regelen en de ernst van de situatie in te zien.

4.4.2.

Appellant heeft zelf geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet worden afgeleid dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Dat in augustus 2017 is vastgesteld dat appellant lijdt aan PTSS en dat uit het advies van de landelijke adviescommissie PTSS van 6 maart 2018 kan worden opgemaakt dat appellant al voor de ziekmelding op 6 juli 2017 met terugkerende klachten te kampen had, is hiervoor onvoldoende. Daarmee is immers niet gezegd dat appellant geen besef had van de onjuistheid van zijn handelen of niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Dit geldt eens te meer omdat appellant na zijn ziekmelding zelf afspraken heeft gemaakt met deurwaarders en betalingsregelingen heeft getroffen.

4.5.

Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet (volledig) kan worden toegerekend.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de korpschef bevoegd was om tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag over te gaan. De door appellant aangedragen beroepsgronden geven geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.

(getekend) H. Lagas

(getekend) R. van Doorn