Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
19/1668 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft ter zitting haar grond dat de bevoegdheid van het Uwv tot terugvordering is verjaard, ingetrokken. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt. Er kan sprake zijn van rechtsverwerking indien er ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan waaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat van herziening en terugvordering zou worden afgezien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het Uwv toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit appellante in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat van herziening of terugvordering zou worden afgezien. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv op grond van artikel 2:59 van de Wajong verplicht is om tot terugvordering van onverschuldigde betalingen over te gaan. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, is dit alleen anders indien sprake is van een dringende reden. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare gevolgen heeft. Het is begrijpelijk dat het appellante zwaar valt dat zij tot terugbetaling is gehouden, terwijl haar geen verwijt valt te maken en zij heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht. Dat het Uwv pas (zeer) laat de uitkering heeft gewijzigd nadat appellante tijdig heeft doorgegeven dat zij ging studeren, waardoor aan appellante teveel uitkering is uitbetaald, vormt echter geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1668 WAJONG

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 maart 2019, 18/5496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dayala. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 december 2010 is aan appellante, geboren op 18 mei 1986, per 3 november 2010 inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wajong 2010) toegekend ter hoogte van 75% van het wettelijk minimumloon.

1.2.

Op 12 juni 2011 heeft appellante aan het Uwv doorgegeven dat zij gaat studeren. De hoogte van de Wajong-uitkering is daarna niet gewijzigd.

1.3.

Bij besluit van 4 augustus 2015 is de uitkering van appellante met ingang van 1 augustus 2015 omgezet in een studieregeling en is haar € 376,93 bruto per maand (25% van het wettelijk minimumloon) betaalbaar gesteld. De reden daarvoor is dat uit controle is gebleken dat appellante studiefinanciering van DUO geniet en ten onrechte een uitkering op grond van de zogeheten werkregeling in plaats van de studieregeling in de Wajong ontvangt. Vanaf 1 maart 2016 is de uitkering in verband met het beëindigen van de studie weer omgezet naar 75% van het wettelijk minimumloon.

1.4.

Bij brief van 7 november 2017 heeft het Uwv informatie bij DUO opgevraagd over de periode 2010 tot en met 29 februari 2016. Hieruit blijkt dat appellante in verband met het volgen van een opleiding over de maanden januari en februari 2010 en vanaf oktober 2011 tot en met februari 2016 studiefinanciering heeft genoten.

1.5.

Bij besluit van 23 januari 2018 (primaire beslissing) heeft het Uwv de Wajong-uitkering per 27 november 2012 herzien en vastgesteld op 25% van het geldende minimumloon, omdat appellante studiefinanciering heeft ontvangen. Tevens heeft het Uwv over de periode van
1 november 2012 tot 1 augustus 2015 een bedrag van € 25.813,84 aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 3 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 23 januari 2018, gegrond verklaard. Het primaire besluit is herroepen wat betreft de periode van de terugvordering. Wat teveel is betaald wordt over de periode 23 januari 2013 tot 1 augustus 2015 teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 24.884,78.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat wat betreft de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde uitkeringen wordt aangesloten bij de in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijn. Die start vijf jaren na de dag volgend op die waarop de schuldeiser weet van het bestaan van zijn vordering en in ieder geval 20 jaar nadat de vordering is ontstaan. Uit vaste rechtspraak volgt dat de verjaringstermijn van vijf jaren aanvangt op het moment dat het Uwv bekend was met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit tot terugvordering in de rede ligt.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv al in juni 2011 bekend is geworden met het feit dat appellante een opleiding zou gaan volgen waarvoor zij studiefinanciering zou ontvangen. De terugvordering is dan ook beperkt tot vijf jaar voorafgaand aan 23 januari 2018, de datum van het terugvorderingsbesluit. Het Uwv heeft in het bestreden besluit onderkend dat de terugvordering is verjaard voor zover deze ziet op betalingen die zijn gedaan vóór 23 januari 2013. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op verjaring niet slaagt.

2.3.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op rechtsverwerking evenmin slaagt. Het enkele tijdsverloop tussen 12 juni 2011 en het besluit van 23 januari 2018 is onvoldoende om aan te nemen dat zich een situatie voordoet waarin de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering niet meer mag worden aangewend. Van een ondubbelzinnige toezegging door het Uwv waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat van intrekking of terugvordering zou worden afgezien is niet gebleken.

2.4.

Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het betoog van appellante dat het Uwv op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel had moeten afzien van terugvordering, niet slaagt. Het Uwv is op grond van artikel 2:59 van de Wajong verplicht om tot terugvordering van de onverschuldigde betalingen over te gaan. Dit is alleen anders als sprake is van een dringende reden. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De gestelde financiële problemen vormen geen dringende reden, omdat daarmee op grond van de wettelijke regels over de beslagvrije voet bij de invordering rekening gehouden kan worden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de gronden van bezwaar en beroep herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en gewezen op een brief van 11 maart 2019 waarin vooralsnog wordt afgezien van invordering van de onverschuldigde betalingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft ter zitting haar grond dat de bevoegdheid van het Uwv tot terugvordering is verjaard, ingetrokken.

4.2.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt. Er kan sprake zijn van rechtsverwerking indien er ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan waaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat van herziening en terugvordering zou worden afgezien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het Uwv toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit appellante in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat van herziening of terugvordering zou worden afgezien. Het enkele tijdsverloop tussen het moment dat het Uwv bekend is geworden met het feit dat appellante een opleiding zou gaan volgen waarvoor zij studiefinanciering zou ontvangen en het besluit tot terugvordering, is onvoldoende om aan te nemen dat zich een situatie voordoet waarin de bevoegdheid tot terugvordering niet meer mag worden aangewend.

4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv op grond van artikel 2:59 van de Wajong verplicht is om tot terugvordering van onverschuldigde betalingen over te gaan. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, is dit alleen anders indien sprake is van een dringende reden. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien kunnen alleen gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale gevolgen die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare gevolgen heeft. Het is begrijpelijk dat het appellante zwaar valt dat zij tot terugbetaling is gehouden, terwijl haar geen verwijt valt te maken en zij heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht. Dat het Uwv pas (zeer) laat de uitkering heeft gewijzigd nadat appellante tijdig heeft doorgegeven dat zij ging studeren, waardoor aan appellante teveel uitkering is uitbetaald, vormt echter geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Dit is immers geen gevolg, maar een oorzaak van de terugvordering. Met de financiële omstandigheden van appellante wordt voorts rekening gehouden, doordat afhankelijk van haar inkomen de invordering wordt opgeschort dan wel een betalingsregeling wordt getroffen. Nu niet is gebleken van een dringende reden, is het Uwv terecht tot terugvordering overgegaan.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) L. Winters