Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
20/3717 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een elektrische rolstoel te verstrekken terecht afgewezen. Geen noodzaak voor een elektrische rolstoel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3717 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 september 2020, 19/3110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 1 september 2021

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 26 april 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college zijn besluit van 1 november 2018, waarbij de aanvraag van appellante om haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een elektrische rolstoel te verstrekken is afgewezen, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op de adviezen van het Indicatieadviesbureau (IAB). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de IAB-adviseurs L. de Wiljes en B.A.W.M. de Rijk niet deskundig zijn. De adviezen zijn duidelijk, de redenering is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten daarop aan. De IAB-adviseurs hebben de recente informatie van de huisarts, de ergotherapeut en de oudere informatie van de neuroloog bij de adviezen betrokken en uitgelegd waarom zij tot de conclusie komen dat geen noodzaak bestaat voor een elektrische rolstoel. Het opvragen van nadere informatie bij de neuroloog was niet noodzakelijk, omdat appellante niet onder behandeling bij een neuroloog staat en ook niet recentelijk bij een neuroloog is geweest. Uit de brief van de ergotherapeut kan worden afgeleid dat een elektrische rolstoel voor appellante vooral wenselijk en handig is, maar dit is onvoldoende om aan de juistheid van het IAB-advies te twijfelen. De rechtbank heeft verder van belang geacht dat de huisarts en de neuroloog geen diagnose hebben kunnen stellen die bij de klachten van appellante hoort, dat uit de IAB-adviezen naar voren komt dat appellante zelf de trap op en af kan en zich in huis kan bewegen door aan objecten steun te zoeken of een loophulpmiddel te gebruiken en dat een elektrische rolstoel anti-revaliderend kan werken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de indicatieadviseurs van het IAB onzorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat in de IAB-adviezen onjuistheden staan vermeld. Appellante is van mening dat zij is aangewezen op een elektrische rolstoel, omdat zij door haar lichamelijke beperkingen en vermoeidheid niet in staat is zich gedurende een hele dag door de woning te verplaatsen en valgevaarlijk is. Andere loopmiddelen, zoals een elektrische trippelstoel, bieden geen uitkomst wegens gebrek aan kracht in haar benen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een brief van haar fysiotherapeut van 15 juni 2021 overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald.

4.2.

De rechtbank heeft de gronden van beroep op inzichtelijke en juiste wijze besproken. Op basis van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft deze overwegingen en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank over de beroepsgronden gegeven oordeel. Hieraan wordt toegevoegd dat de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van haar fysiotherapeut geen nieuwe inzichten biedt die betrekking hebben op de in geding zijnde periode die loopt tot en met 26 april 2019 (datum bestreden besluit).

4.3.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J. Brand en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) M. Stumpel