Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
18/2581 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten 1 en 2 heeft het college over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2018 aan appellante terecht een pgb verstrekt op basis van het tarief voor sociaal netwerk. Nu de moeder van appellante tot haar sociale netwerk behoort, heeft het college in overeenstemming met artikel 7, vijfde lid, van de Verordening terecht aan appellante een pgb verstrekt naar het tarief voor sociaal netwerk. Gelet op de duidelijke tekst van de Verordening, kan hetgeen appellante heeft aangevoerd niet slagen.

Bij besluit 3 heeft het college terecht overwogen dat nader onderzoek door een gemeente-arts nodig is. De beroepsgrond van appellante dat zij wel medewerking heeft verleend aan het medisch onderzoek slaagt niet.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2581 WMO15, 19/1992 WMO15, 20/980 WMO15

Datum uitspraak: 1 september 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2018, 17/2146 (aangevallen uitspraak 1), 23 april 2019, 18/1452 (aangevallen uitspraak 2) en 14 februari 2020, 19/3424 (aangevallen uitspraak 3) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft in alle zaken verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 juli 2021, gedeeltelijk door middel van beeldbellen. Appellante is verschenen, vergezeld door haar moeder [naam moeder] en bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.K.L. Vos.

Appellante heeft ter zitting in de zaak 18/2581 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1983, is bekend met psychische en lichamelijke klachten.

De zaak 18/2581

1.2.

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan appellante een maatwerkvoorziening middelzware begeleiding verstrekt voor 12 uur per week voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 juli 2017, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), gebaseerd op een tarief van € 15,55 per uur.

1.3.

Bij besluit van 31 mei 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 februari 2017 deels gegrond verklaard en het pgb-tarief voor de periode van 1 oktober 2016 tot 1 mei 2017 bepaald op € 32,79 per uur. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat pas per 1 mei 2017 de gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Groningen 2015 (Verordening) een grondslag voor de gehanteerde tariefdifferentiatie biedt. De begeleiding door de moeder vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie met appellante. Hiervoor geldt een lager tarief. Dat de moeder een diploma ‘Leraar Basisonderwijs’ en de masteropleiding ‘Special Educational Needs’ heeft afgerond, maakt dat niet anders. De sociale relatie gaat vóór een eventueel hulpverlenend beroep.

De zaak 19/1992

1.4.

Het college heeft appellante bij besluit van 3 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2018 (bestreden besluit 2) op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening middelzware begeleiding verstrekt voor 12 uur per week voor de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 juli 2018, in de vorm van een pgb, gebaseerd op een tarief van € 20,- per uur. Dit tarief is volgens het college van toepassing omdat de ondersteuning door de moeder voortvloeit uit de sociale relatie.

De zaak 20/980

1.5.

Bij besluit van 1 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 2019 (bestreden besluit 3) heeft het college aan appellante op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening middelzware begeleiding verstrekt voor 12 uur per week voor de periode van 1 december 2018 tot en met 30 maart 2019, in de vorm van een pgb. Hieraan is ten grondslag gelegd dat nader onderzoek door een gemeente-arts nodig is, maar dat appellante hieraan niet wilde meewerken.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover de hoogte van het tarief in de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2017 is vastgesteld op € 15,55 per uur en zelf in de zaak voorzien door het tarief in deze periode op € 20,- per uur te bepalen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat de begeleiding wordt gegeven door de moeder van appellante en daarmee vanuit haar sociale netwerk. Verder zijn de opleidingen van haar moeder gericht op het geven van (gespecialiseerd) onderwijs en niet op de specifieke problematiek van appellante. Daarbij komt dat appellante in haar aanvraag een beoogd tarief van € 20,- per uur heeft opgegeven, zodat niet valt in te zien waarom dat bedrag niet voldoende zou zijn.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover de omvang van de maatwerkvoorziening is bepaald op 12 uur per week en zelf in de zaak voorzien door de omvang te bepalen op 16 uur per week. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college het juiste tarief heeft toegepast en heeft daarbij onder meer verwezen naar haar overwegingen in aangevallen uitspraak 1.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante op grond van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 gehouden is haar medewerking te verlenen aan een voor de vaststelling van de maatwerkvoorziening noodzakelijk onderzoek, in dit geval een onderzoek door de gemeente-arts. Appellante heeft deze medewerking niet verleend en dit komt voor haar rekening en risico. Door de verstrekte maatwerkvoorziening heeft het college voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2, samengevat, aangevoerd dat voor de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2018 een onjuist pgb-tarief is gehanteerd. Haar moeder is gezien haar scholing een deskundige. Deze hoedanigheid gaat vóór op de sociale relatie die appellante met haar heeft.

3.2.

Tegen aangevallen uitspraak 3 heeft appellante aangevoerd dat zij wel medewerking heeft verleend. Zij heeft gewezen op het door haar ondertekende toestemmingsformulier voor gegevensuitwisseling. Bovendien hebben in het verleden al veel onderzoeken plaatsgevonden en heeft zij informatie van haar behandelaars overgelegd. Ze heeft meegewerkt aan alle onderzoeken, maar op een gegeven moment werd het haar te veel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De zaken 18/2581 en 19/1992

4.1.

In deze gedingen ligt de vraag voor of het college over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2018 aan appellante terecht een pgb heeft verstrekt op basis van het tarief voor sociaal netwerk.

4.2.1.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert sociaal netwerk als: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.

4.2.2.

Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. In het vierde lid is bepaald dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

4.2.3.

Artikel 7, vijfde lid, van de Verordening bepaalt:

“Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners;

b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald;

c. vast staat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze.”

4.3.

Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1999, ontleent de Raad aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 dat de wetgever aan gemeenten de ruimte heeft willen bieden om een apart tarief te hanteren voor hulpverleners uit het sociale netwerk.

4.4.

Indien de gemeente kiest voor een dergelijke tariefdifferentiatie, dient vervolgens bij verordening te worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. In dit geval is met artikel 7, vijfde lid, van de Verordening mogelijk gemaakt om met een pgb ook dienstverlening te ontvangen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

4.5.

Niet in geschil is dat de moeder van appellante behoort tot haar sociale netwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, dat zij de verstrekte begeleiding aan appellante verleent en dat het tarief als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Verordening € 20,- per uur is.

4.6.

Gelet op het onder 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven wettelijk kader, zoals uitgewerkt in artikel 7, vijfde lid, van de Verordening, is in de gemeente Groningen gebruik gemaakt van de door de wetgever geboden ruimte om binnen een gemeente de mogelijkheid te bieden om onder voorwaarden betreffende het tarief, diensten te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Nu de moeder van appellante tot haar sociale netwerk behoort, heeft het college in overeenstemming met artikel 7, vijfde lid, van de Verordening terecht aan appellante een pgb verstrekt naar het tarief voor sociaal netwerk. Gelet op de duidelijke tekst van de Verordening, kan hetgeen appellante heeft aangevoerd niet slagen. Dit betekent dat de onder 4.1 geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord.

4.7.

De hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 slagen niet. Deze uitspraken worden, voor zover aangevochten, bevestigd.

De zaak 20/980

4.8.1.

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid.

4.8.2.

In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

4.9.

Gelet op de aard van de beperkingen van appellante, de geboorte [geboortedatum] 2017 van haar zoon, met eveneens medische problematiek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de benodigde maatwerkvoorziening, wordt het college gevolgd in zijn standpunt dat een nieuw medisch onderzoek redelijkerwijs nodig was. In dit geval kon niet worden volstaan met de door appellante ingebrachte verklaringen van de psychiater en medisch maatschappelijk werker, omdat in die verklaringen de recente ontwikkelingen, zoals de geboorte van haar zoon, en de gevolgen daarvan op het functioneren van appellante niet waren meegenomen. De beroepsgrond van appellante dat zij wel medewerking heeft verleend aan het medisch onderzoek slaagt niet. Appellante heeft op 30 november 2018 weliswaar een toestemmingsformulier voor het uitwisselen van persoonsgegevens getekend en teruggestuurd naar het college, maar voor het uitvoeren van het medisch onderzoek was het daarnaast noodzakelijk dat appellante het toegestuurde toestemmingsformulier voor het opvragen van medische gegevens ondertekende. Dat formulier heeft appellante op 6 februari 2019 slechts onder voorwaarden getekend. Het bezwaarschrift van 8 april 2019, waarin appellante schrijft: “…ze willen een gemeente-arts op me afsturen. Ik gaf een nee..”, bevestigt dat appellante niet wilde meewerken aan een onderzoek door de gemeente-arts. Onder deze omstandigheden heeft het college met de verstrekte maatwerkvoorziening een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante.

4.10.

Wat is overwogen in 4.9 betekent dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 3 wordt bevestigd.

Het verzoek om schadevergoeding

5.1.

Appellante heeft in de zaak 18/2581 verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Voor de wijze van beoordeling van een dergelijk verzoek wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Voor dit geval betekent dit het volgende.

5.2.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 13 februari 2017 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim zes maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim zes maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellante zal daarom een schadevergoeding van € 1.000,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

6. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden begroot op € 374,- voor kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijke punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2 voor zover aangevochten;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak 3;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan
    appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 374,-.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) M. Stumpel