Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
19/2098 ZW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. ZW-uitkering terecht beƫindigd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek of de juistheid van het medisch oordeel. De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat de beroepsgrond, dat appellant zijn arbeid als magazijnmedewerker wegens het medicijngebruik niet kan verrichten, omdat hij daarin moest werken met machines en bovendien ook met een heftruck, niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2098 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 april 2019, 18/5519 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 augustus 2021

Zitting heeft: mr. M. Schoneveld

Griffier: V.M. Candelaria

Het onderzoek ter zitting heeft via (beeld)bellen plaatsgevonden op 20 augustus 2021. Namens appellant is verschenen mr. M. El Idrissi, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 19 juli 2018 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 11 juni 2018 gehandhaafd dat de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet met ingang van 11 juni 2018 wordt beƫindigd, omdat hij per die datum weer geschikt is geacht voor zijn arbeid als magazijnmedewerker.

2. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek of de juistheid van het medisch oordeel.

3. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant desgevraagd bevestigd dat nieuwe medische informatie niet voorhanden was. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat sprake is van ongeschiktheid wegens ernstige psychische klachten, knieklachten en vermoeidheidsklachten evenmin onderbouwd met nieuwe medische gegevens.

4. De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat de beroepsgrond, dat appellant zijn arbeid als magazijnmedewerker wegens het medicijngebruik niet kan verrichten, omdat hij daarin moest werken met machines en bovendien ook met een heftruck, niet slaagt. In de uitspraak van 7 december 2016 (ECLI:CRVB:2016:4677) heeft de Raad ten aanzien van een eerdere hersteldmelding van appellant per 27 mei 2015 al geoordeeld dat er geen aanleiding is te oordelen dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van een onjuiste werkomschrijving van de maatgevende arbeid zijn uitgegaan. Ook nu heeft appellant zijn stelling dat in de maatgevende arbeid wordt gewerkt met machines en/of een heftruck op geen enkele manier onderbouwd, zodat hiervoor ook nu geen aanleiding wordt gezien. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend.) V.M. Candelaria (getekend.) M. Schoneveld

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep