Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
19/1632 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2135, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding allereerst de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te beoordelen. In de in bezwaar opgestelde FML van 28 maart 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt geacht ten aanzien van beoordelingspunt 1.9.4 (afleiding door activiteiten van anderen) en daarbij als toelichting gegeven dat appellant is aangewezen op een rustige, niet hectische prikkelarme omgeving. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij aangesloten bij de FML, zoals die in 2016 in het kader van de EZWb was opgesteld. Gelet op het feit dat de werkplek bij de functie van productiemedewerker zowel qua hectiek als qua geluidsniveau te vergelijken is met een kantoortuin, is met deze toelichting door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd – en valt ook anderszins niet in te zien – dat, als uitgegaan wordt van de in de FML van 28 maart 2018 neergelegde beperkingen, deze functie voor appellant geschikt is te achten. De Raad merkt daarbij op dat dezelfde functie bij de EZWb in 2016 door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als ongeschikt werd verworpen. Nu de functie van productiemedewerker niet geschikt is liggen er onvoldoende functies aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 18 september 2017 ten grondslag. Uitgaande van de in de FML van 28 maart 2018 neergelegde beperkingen is appellant per 18 september 2017 daarom voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten. De juistheid van de FML van 28 maart 2018 kan daarbij in het midden blijven. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Het Uwv zal – uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 18 september 2017 – met het oog op de mogelijke IVA-aanspraken van appellant per die datum nader op het bezwaar dienen te beslissen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1632 WIA

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2019, 18/3071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2021. Namens appellant is verschenen, mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als monteur. In 2015 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten na een ongeval. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZWbeoordeling (EZWb) heeft in 2016 een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarna appellant ongewijzigd ziekengeld is blijven ontvangen.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 augustus 2017 Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 2,47%. Bij besluit van 22 september 2017 heeft het Uwv geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

In de bezwaarfase is appellant gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanvullende beperkingen heeft aangenomen in een FML van 28 maart 2018. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd. Op basis van de functies productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), medewerker beddenreiniging (SBC-code 111112) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) is een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,16% vastgesteld. Het Uwv heeft appellant bij brief van 24 april 2018 op de hoogte gesteld van het voornemen om het besluit van 22 september 2017 te herroepen in die zin dat appellant met ingang van 18 september 2017 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,16%. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Bij besluit van 3 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en is aan appellant met ingang van 18 september 2017 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het standpunt van appellant, dat de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de aanpassing van de arbeidskundige grondslag het Uwv aanleiding had moeten geven om appellant in de gelegenheid te stellen om opnieuw te worden gehoord, gevolgd. Door appellant die gelegenheid niet te bieden heeft het Uwv in strijd gehandeld met artikel 7:8 van Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft in het bestreden besluit ook geen reactie meer gegeven op de alsnog door appellant ingediende zienswijze, zodat het besluit in zoverre een kenbare motivering mist en in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Appellant is van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Volgens appellant kan hij niet in staat worden geacht om de geselecteerde functies te vervullen. Ter onderbouwing verwijst hij naar de rapporten van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts M.J. Gerritze.

3.2.

Het Uwv heeft, met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet aanleiding allereerst de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te beoordelen.

4.2.

In de in bezwaar opgestelde FML van 28 maart 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt geacht ten aanzien van beoordelingspunt 1.9.4 (afleiding door activiteiten van anderen) en daarbij als toelichting gegeven dat appellant is aangewezen op een rustige, niet hectische prikkelarme omgeving. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij aangesloten bij de FML, zoals die in 2016 in het kader van de EZWb was opgesteld. In die FML werd bij beoordelingspunt 3.10.1 (specifieke voorwaarden voor aanpassing aan de fysieke omgeving) als toelichting vermeld: ”geen hectische werkomgeving zoals een kantoortuin”. In de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML van 22 augustus 2017 is deze onder 3.10.1 opgenomen beperking en toelichting aanvankelijk gehandhaafd. In de FML van 28 maart 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de voorheen onder 3.10.1 opgenomen beperking onder beoordelingspunt 1.9.4 opgenomen. In het handboek CBBS wordt bij beoordelingspunt 1.9.4 het werken in een kantoortuin genoemd als voorbeeld waarbij de activiteiten van anderen op de werkplek een potentiële bron van afleiding van de eigen aandacht vormen.

4.3.

In het rapport van 10 april 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over de in bezwaar geselecteerde functie van productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBCcode 111180) over een mogelijke overschrijding van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op beoordelingspunt 1.9.4 vermeld:

“De werkplekken zijn enigszins afgeschermd, maar er is wel sprake van een heel grote productieruimte waar met veel mensen in wordt gewerkt. Echt hectisch kan je het niet noemen (geen blèrende radio of voortdurend wisselen van werkplek/taken) maar er is wel zicht op meerdere werkplekken. De werkplek bij deze functie is zowel qua hectiek als qua geluidsniveau te vergelijken met een kantoortuin. Er wordt in groepen gewerkt; de medewerkers zitten naast/tegenover elkaar met plm. 1,5/2 meter afstand. In een straal van 5 meter zitten dus 5 tot 7 collega’s.”

Gelet op het feit dat de werkplek bij de functie van productiemedewerker zowel qua hectiek als qua geluidsniveau te vergelijken is met een kantoortuin, is met deze toelichting door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd – en valt ook anderszins niet in te zien – dat, als uitgegaan wordt van de in de FML van 28 maart 2018 neergelegde beperkingen, deze functie voor appellant geschikt is te achten. De Raad merkt daarbij op dat dezelfde functie bij de EZWb in 2016 door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als ongeschikt werd verworpen.

4.4.

Nu de functie van productiemedewerker niet geschikt is liggen er onvoldoende functies aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 18 september 2017 ten grondslag. Ter zitting is door het Uwv bevestigd dat, indien de functie van productiemedewerker niet passend zou worden geoordeeld, aanvullende functieduiding per 18 september 2017 niet aan de orde is. Uitgaande van de in de FML van 28 maart 2018 neergelegde beperkingen is appellant per 18 september 2017 daarom voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten. De juistheid van de FML van 28 maart 2018 kan daarbij in het midden blijven.

4.5.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Het Uwv zal – uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 18 september 2017 – met het oog op de mogelijke IVA-aanspraken van appellant per die datum nader op het bezwaar dienen te beslissen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden bepaald op de kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 1.496,-. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 128,- vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.496,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 128,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Géron