Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
19/5022 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Anders de rechtbank heeft geconcludeerd, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende deugdelijke motivering berust. De Raad is zich er daarbij van bewust dat een diagnose in het algemeen niet bepalend is voor het vaststellen van de arbeidsbeperkingen, maar acht het toch aangewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader motiveert in hoeverre de later gestelde diagnose blaaskanker van invloed is op de omvang van de arbeidsbeperkingen van appellant op de datum in geding.

Ook de omvang van de door het Uwv vastgestelde urenbeperking is onvoldoende gemotiveerd. Gelet op alles wat appellant op dit punt heeft aangevoerd en gegeven de mogelijkheid dat de vastgestelde urenbeperking van zes uur per dag en 30 (maximaal 32) uur per week te maken heeft gehad met een voorstelling van zaken wat betreft de gewerkte uren tijdens de re-integratie die blijkens de nadere toelichtingen van appellant aanzienlijk moet worden gerelativeerd, acht de Raad dit standpunt op zichzelf beschouwd ontoereikend om de handhaving van die urenbeperking te kunnen dragen. Ook in dit verband kan de inmiddels gestelde diagnose blaaskanker worden genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5022 WIA

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 oktober 2019, 19/1343 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Stegmeijer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. Stegmeijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als teamleider (meewerkend voorman) glaszetter/timmerman. Op 18 juni 2013 heeft hij zich ziek gemeld in verband met een oesophaguscarcinoom. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 16 juni 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 71,06% en het einde van de loongerelateerde periode op 16 augustus 2018.

1.2.

Bij besluit van 1 juni 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 16 augustus 2018 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65 tot 80%. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv zijn mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Appellant heeft daartoe het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 september 2018. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 65,56%. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 6 februari 2019 een gewijzigde FML opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatmanomvang en het maatmaninkomen anders vastgesteld en een deel van de geselecteerde functies verworpen. Hij heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 69,79%. Bij beslissing op bezwaar van 8 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit zijn gewijzigd. De hoogte van de uitkering is niet gewijzigd. Het Uwv heeft de proceskosten vergoed aan de gemachtigde van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis had van de dossiergegevens en de hoorzitting heeft bijgewoond. Ook heeft hij de informatie die is verkregen van de huisarts in zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had hiermee een compleet beeld van de medische situatie van appellant en beschikte over voldoende gegevens om zijn beoordeling op te baseren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De voor appellant vastgestelde belastbaarheid is inzichtelijk en op overtuigende wijze gemotiveerd. Appellant heeft bovendien geen nieuwe medische informatie ingediend waaruit blijkt dat de medische beoordeling onjuist was. De artikelen over (slokdarm)kanker bevatten algemene informatie en hebben geen betrekking op de situatie van appellant. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de medische beoordeling niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij heeft uiteengezet dat hij in verband met het oesophaguscarcinoom intensieve behandelingen heeft moeten ondergaan en dat hij daar blijvende klachten aan heeft overgehouden. Hij ervaart onder andere cognitieve problemen, vermoeidheid, neuropathie aan de vingers en energiedips. Daarnaast zijn er langer bestaande gezondheidsproblemen, waaronder gehoorproblemen, allergieën, blaasproblemen en klachten als gevolg van slijtage, die is opgetreden doordat appellant altijd zwaar werk heeft verricht. Appellant is het ook niet eens met het standpunt van het Uwv dat hij in staat is om gemiddeld ongeveer zes uur per dag en gemiddeld ongeveer 30 (maximaal 32) uur per week te werken. Weliswaar heeft hij na zijn ziekmelding nog voor 32 uur per week gewerkt bij zijn eigen werkgever, maar dit betrof zeer lichte werkzaamheden in een rustig tempo waarbij appellant als het niet meer ging het werk kon staken. De werkgever heeft hem nooit hersteld gemeld. Rond de datum in geding werkte appellant bij een andere werkgever voor tien uur per week. Hij is van mening dat dit het maximaal haalbare is, waarbij hij niet in de ochtend of nacht kan werken. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat in januari 2020 blaaskanker bij hem is gediagnosticeerd en dat de langer bestaande blaasklachten hieraan te wijten zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant verwezen naar de stukken die hij in beroep heeft overgelegd. De door het Uwv geselecteerde functies zijn volgens appellant niet passend. Hij heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 16 augustus 2018 heeft vastgesteld op 69,79% en terecht een WGA-vervolguitkering aan hem heeft toegekend op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.

4.3.1.

Anders de rechtbank heeft geconcludeerd, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende deugdelijke motivering berust. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

In verband met de blaasklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de FML (beoordelingspunt 1.8) toegevoegd dat appellant gemakkelijk een toilet moet kunnen bereiken. Appellant heeft gesteld dat hiermee onvoldoende aan zijn klachten tegemoet is gekomen, omdat ook van belang is dat hij als hij aandrang voelt direct naar het toilet kan gaan. Hij moet het werk dus op elk moment – en veelvuldig – kunnen onderbreken. Bovendien moet hij het toilet snel kunnen bereiken, dus zonder bijvoorbeeld eerst nog een trap op te moeten. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 oktober 2019 gesteld dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat appellant ernstige problemen met de urinewegen heeft. Met de vastgestelde beperking is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de klachten die appellant heeft als gevolg van een overprikkelbare blaas, waarvoor hij medicatie gebruikt. Inmiddels is, in januari 2020, de diagnose blaaskanker gesteld. Daarmee is alsnog gebleken van ernstige problemen met de urinewegen en gaat de in oktober 2019 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie dat deze ontbreken dus niet meer op. De bewuste diagnose dateert weliswaar van enige tijd na de datum in geding, 16 augustus 2018, maar op grond van de nu beschikbare gedingstukken valt niet uit te sluiten dat, achteraf gezien, moet worden gezegd dat de gebleken ernstige medische problematiek ook voorafgaand aan het aan het licht komen daarvan al tot de blaasklachten heeft bijgedragen. De Raad is zich er daarbij van bewust dat een diagnose in het algemeen niet bepalend is voor het vaststellen van de arbeidsbeperkingen, maar acht het toch aangewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader motiveert in hoeverre de later gestelde diagnose blaaskanker van invloed is op de omvang van de arbeidsbeperkingen van appellant op de datum in geding.

4.3.3.

Ook de omvang van de door het Uwv vastgestelde urenbeperking is onvoldoende gemotiveerd. In de FML van 11 maart 2015, die ten grondslag ligt aan de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant per 16 juni 2015, is opgenomen dat appellant gemiddeld ongeveer zes uur per dag en 30 uur per week kan werken. Uit het rapport van de verzekeringsarts van dezelfde datum komt naar voren dat appellant in staat werd geacht om maximaal 32 uur per week te werken, omdat hij tijdens zijn re-integratie voor dit aantal uren aangepast werk heeft verricht. Bij de huidige beoordeling heeft appellant naar voren gebracht dat zijn klachten zijn toegenomen en hij niet meer in staat is om 32 uur per week te werken. Ook heeft hij gewezen op de specifieke omstandigheden bij zijn voormalige werkgever, zoals het feit dat hij zeer regelmatig rust kon nemen en naar huis kon gaan als het niet meer ging. De Uwv-arts heeft geconcludeerd dat een urenbeperking voor ongeveer zes uur per dag en 30 (maximaal 32) uur per week geïndiceerd blijft. In beroep en hoger beroep heeft appellant opnieuw uiteengezet waarom hij het niet eens is met het standpunt van het Uwv. Hij heeft naar voren gebracht dat hij, onder voorwaarden, maximaal tien uur per week kan werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het rapport van 4 oktober 2019 op het standpunt gesteld dat onvoldoende medisch kan worden onderbouwd dat appellant niet meer dan tien uur per week zou kunnen werken. Gelet op alles wat appellant op dit punt heeft aangevoerd en gegeven de mogelijkheid dat de vastgestelde urenbeperking van zes uur per dag en 30 (maximaal 32) uur per week te maken heeft gehad met een voorstelling van zaken wat betreft de gewerkte uren tijdens de re-integratie die blijkens de nadere toelichtingen van appellant aanzienlijk moet worden gerelativeerd, acht de Raad dit standpunt op zichzelf beschouwd ontoereikend om de handhaving van die urenbeperking te kunnen dragen. Ook in dit verband kan de inmiddels gestelde diagnose blaaskanker worden genoemd. Verder is van belang dat volgens de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid de duurbelastbaarheid wordt beoordeeld in stappen van twee uur per dag (tien uur per week). Het is dus ook mogelijk om te kiezen voor een urenbeperking voor ongeveer vier uur per dag en 20 uur per week.

4.4.

Uit wat in 4.3 is overwogen, vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juni 2018. Daarbij zal nader moeten worden gemotiveerd of de later gestelde diagnose blaaskanker aanleiding geeft om de FML te wijzigen en of met een urenbeperking voor ongeveer zes uur per dag en 30 (maximaal 32) uur per week voldoende rekening is gehouden met de bij appellant bestaande problematiek. Als er aanleiding wordt gezien om de FML te wijzigen, zal ook een nieuwe arbeidskundige beoordeling plaats moeten vinden.

4.5.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.6.

Over het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellant schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of er aanleiding is voor schadevergoeding.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.496,- in beroep en € 1.496,- in hoger beroep, in totaal € 2.992,- voor verleende rechtsbijstand. De kosten die appellant in beroep heeft gemaakt in verband met de aanwezigheid van zijn re-integratiecoach bij de zitting, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2019;

- draagt het Uwv op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.992,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) G.S.M. van Duinkerken