Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
19/4557 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht geweigerd. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant op 16 maart 2018 en 7 juni 2019 geschikt te achten is voor zijn eigen arbeid als (algemeen) medewerker stekbedrijf. Zorgvuldig medisch onderzoek door de artsen van het Uwv. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de daarbij getrokken conclusies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4557 ZW, 20/3399 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 24 september 2019, 19/18 (aangevallen uitspraak 1) en 29 september 2020, 19/3049 (aangevallen uitspraak 2) en op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 augustus 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroepen ingesteld en verzoeken om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De gevoegde behandeling ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 22 juli 2021. Namens appellant is mr. Bos verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen mr. R. Bastings-Vangangelt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de voorgeschiedenis en van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 april 2017 verwijst de Raad naar zijn uitspraak van gelijke datum in zaak 19/2886 ZW.

1.2.

Appellant heeft zich op 9 november 2017 vanuit de Werkloosheidswet (WW) opnieuw ziek gemeld met psychische klachten. Na spreekuurcontact met een verzekeringsarts zijn de met deze arts gemaakte afspraken over re-integratiebegeleiding neergelegd in een plan van aanpak en bij brief van 14 december 2017 aan appellant toegezonden. Bij besluit van 8 maart 2018 is appellant vervolgens per 12 maart 2018 weer hersteld verklaard voor zijn arbeid. Het bezwaar en beroep van appellant tegen deze hersteldverklaring zijn ongegrond verklaard.

1.3.

Op 16 maart 2018 heeft appellant zich vanuit de WW opnieuw ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft hij op 30 juli 2018 het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft appellant per 16 maart 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van (algemeen) medewerker stekbedrijf bij [naam bedrijf] . Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2018 vastgesteld dat appellant met ingang van 16 maart 2018 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2018 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 november 2018 ten grondslag.

1.4.

Op 7 juni 2019 heeft appellant zich vanuit de WW opnieuw ziek gemeld met slaapproblemen, vermoeidheid, overspannenheid/burn-out en een depressie. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 25 juni 2019 het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft appellant per datum ziekmelding geschikt geacht voor zijn eigen arbeid als (algemeen) medewerker stekbedrijf bij [naam bedrijf] . Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 juni 2019 vastgesteld dat appellant met ingang van 7 juni 2019 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2019 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2019 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.1.1.

In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek door het Uwv onvoldoende onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsartsen geen medische informatie hebben ingewonnen bij zijn behandelaars en geen nader onderzoek hebben gedaan naar zijn belastbaarheid terwijl zijn medische situatie verslechterd was. De artsen van het Uwv hebben zijn medische situatie onjuist beoordeeld en ten onrechte vastgesteld dat hij op 16 maart 2018 geschikt te achten is voor de laatstelijk verrichte arbeid van (algemeen) medewerker stekbedrijf. Een daadwerkelijke terugkeer van appellant naar de reguliere arbeidsmarkt is niet mogelijk. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant, net als in zaak 19/2886 ZW, verwezen naar een besluit van 5 maart 2020 waarin een positief advies is gegeven om appellant een Indicatie beschut werk te geven. Appellant heeft de Raad verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.

3.1.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat de hersteldverklaring van appellant per 12 maart 2018 onherroepelijk is geworden aangezien er tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 mei 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:4961) geen hoger beroep is ingesteld en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig gemotiveerd heeft dat er in medische zin geen sprake is van een verslechtering van de gezondheidssituatie van appellant tussen 12 maart 2018 en 16 maart 2018. Appellant was per 16 maart 2018 dus geschikt te achten voor zijn eigen werk van (algemeen) medewerker stekbedrijf.

3.2.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv hem ten onrechte een ZW‑uitkering heeft geweigerd per 7 juni 2019. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat in het verleden geconstateerd is dat hij ernstige psychische beperkingen heeft. Deze beperkingen zijn zodanig dat hij niet kan deelnemen aan het arbeidsproces en niet geschikt is voor de functie van (algemeen) medewerker stekbedrijf. Appellant heeft over zijn medicatiegebruik naar voren gebracht dat hij eerder geen melding gedaan heeft van bijwerkingen van zijn medicijngebruik maar dat de situatie in zoverre gewijzigd is dat zijn psychische klachten en beperkingen in de loop van de tijd zijn toegenomen. Appellant heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn dagverhaal. Daaruit blijkt dat hij niet in staat is om arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant, net als in de zaken 19/2886 ZW en 19/4557 ZW, verwezen naar een besluit van 5 maart 2020 waarin een positief advies is gegeven om appellant een Indicatie beschut werk te geven. Appellant heeft ook in deze zaak verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.

3.2.2.

Het Uwv heeft bevestiging van aangevallen uitspraak 2 bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de

Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant op 16 maart 2018 en 7 juni 2019 geschikt te achten is voor zijn eigen arbeid als (algemeen) medewerker stekbedrijf en op goede gronden geweigerd heeft om appellant met ingang van die data in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de ZW.

Aangevallen uitspraak 1

4.3.

De gronden die appellant tegen aangevallen uitspraak 1 heeft aangevoerd slagen niet. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek door de artsen van het Uwv en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daarbij getrokken conclusies. Appellant heeft naar aanleiding van zijn ziekmelding op 16 maart 2018 op 30 juli 2018 het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat niet gebleken is van toegenomen beperkingen ten opzichte van 12 maart 2018. Er zijn geen medische interventies geweest en de diagnose is niet veranderd. Bij onderzoek naar de psyche waren er geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Appellant is onveranderd geschikt voor zijn werk als (algemeen) medewerker stekbedrijf. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er nog op gewezen dat appellant in het kader van de procedure die onder 1.2 is aangehaald op een hoorzitting van 3 mei 2018 verklaard heeft dat er op medisch gebied in de loop van de tijd niets is veranderd. Nu er geen twijfel is over de juistheid van de beoordeling bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Aangevallen uitspraak 2

4.4.

De gronden die appellant tegen aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd slagen evenmin. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek door de artsen van het Uwv en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daarbij getrokken conclusies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 1 november 2019 gemotiveerd uiteengezet dat appellant zijn stelling dat zijn beperkingen per 7 juni 2019 zijn toegenomen niet met medische stukken heeft onderbouwd. Stukken waarin onder meer de diagnose burn-out beschreven staan, ontbreken. De omstandigheid dat appellant als gevolg van emotionele factoren, met name boosheid, meer klachten ervaart, levert als zodanig geen/onvoldoende reden op om de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid van appellant als uiting van ziekte te beschouwen. Ten aanzien van het medicijngebruik Temazepam heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat bij de gegeven dosering van 10 mg en één tablet per dag sprake is van de laagste dosering die voorgeschreven kan worden. Deze dosering is specifiek voor de slaap waarbij de (bij)werkingsduur ongeveer acht uur is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van bijwerkingen van dit medicijn en dat bij een langer gebruik, zoals in het geval van appellant, bijwerkingen al na relatief korte tijd afnemen en verdwijnen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overwogen dat uit het dagverhaal van appellant blijkt dat zijn dagen voldoende gevuld zijn met activiteiten. Dat appellant er vanwege zijn klachten voor kiest om veel op bed te gaan liggen, is niet gemotiveerd vanuit de beschikbare medische gegevens. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de beschouwingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant geschikt te achten is voor zijn eigen werk als (algemeen) medewerker stekbedrijf. Wat door appellant in hoger beroep onder verwijzing naar het positief advies van 5 maart 2020 om appellant een Indicatie beschut werk te geven, is aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De Raad verwijst naar hetgeen in zijn uitspraak van gelijke datum in zaak 19/2889 ZW onder rechtsoverweging 4.3 hierover is overwogen. Er bestaat geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen

4.5.

Uit 4.3 en 4.4. volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2 moeten worden bevestigd. Bij deze uitkomst van de gedingen is er geen aanleiding tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.L.K. Dagmar