Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
20/834 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:125, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering terecht herzien, in die zin dat appellante als thuiswonende studerende is aangemerkt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek op het brp-adres voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Behoudens een ongeopende envelop is tijdens het huisbezoek niets aangetroffen wat tot appellante te herleiden valt. De totale afwezigheid van persoonlijke spullen valt niet te rijmen met een gesteld structureel hoofdverblijf op het brp-adres van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 834 WSF

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 januari 2020, 19/3675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Çakal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 7 juli 2021. Appellante en mr. Çakal hebben aan de zitting deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond vanaf 24 februari 2017 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres). Onder dit adres staat, ten tijde van belang, ook ingeschreven een neef van appellante (hoofdbewoner), met zijn vrouw en kind.

1.2.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 augustus 2017 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Op 15 februari 2019 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het brp-adres. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluiten van 5 maart 2019 heeft de minister, op basis van de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek, de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2017 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 3.507,28 van haar teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 9 juli 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 5 maart 2019 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om het huisbezoek onrechtmatig te achten en dat de minister met de bevindingen van het huisbezoek aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet woonde op het brp-adres. Appellante heeft niet bewezen dat zij wel op het brp-adres woonde.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen inbreuk is gemaakt op het huisrecht van appellante en dat het onderzoek naar de woonsituatie zorgvuldig en toereikend is voor de conclusie dat appellante niet woonde op het brp-adres. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de door haar ingebrachte bewijsstukken, waaruit valt af te leiden dat zij wel degelijk woonde op het brp-adres.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het standpunt van appellante dat de door de hoofdbewoner rechtsgeldig verleende toestemming voor het binnentreden in de woning niet ook gold voor de door de hoofdbewoner als kamer van appellante getoonde kamer, wordt niet gevolgd. In die kamer zijn geen tot appellante te herleiden spullen aangetroffen, terwijl volgens de verklaring van de hoofdbewoner de kledingkast en ladekast op die kamer gevuld waren met spullen van de hoofdbewoners. Dit wijst niet op een exclusief woongebruik van die ruimte door appellante.

Dat betekent dat wat op die kamer is waargenomen en wat daarover is verklaard, niet als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing hoeft te worden gelaten. De stelling van appellante dat niet duidelijk was op basis van welk risicoprofiel het onderzoek van de minister is gestart doet, wat daar overigens ook van zij, geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het huisbezoek.

4.2.

Dat het huisbezoek, volgens appellante slechts, 20 minuten heeft geduurd en dat maar één kamer door de controleurs is bekeken, maakt het onderzoek van de minister niet onzorgvuldig. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellante al haar spullen bewaart in een koffer die ze meeneemt als ze weggaat van het brp-adres en zij verder spullen in haar auto bewaart, dat zij verzorgingsproducten zoals shampoo en tandpasta gebruikt van de hoofdbewoners en dat de controleurs alles van appellante gezien hebben. Voor de controleurs bestond dan ook geen enkele aanleiding voor het doen van onderzoek in andere ruimtes in de woning. Appellante heeft overigens ook helemaal niet verklaard dat zich elders in de woning spullen van haar bevonden.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek op het brp-adres voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Behoudens een ongeopende envelop is tijdens het huisbezoek niets aangetroffen wat tot appellante te herleiden valt. De totale afwezigheid van persoonlijke spullen valt niet te rijmen met een gesteld structureel hoofdverblijf op het brp-adres van twee jaar.

4.4.

Wat appellante daar tegenover heeft gesteld, geeft geen reden tot twijfel aan de door de minister, uit de bevindingen en waarnemingen van de controleurs, getrokken conclusie.

4.4.1.

Ook al zou appellante gevolgd worden in haar stelling dat het schrijfgerei, de haarband, het roze vest en de verzorgingsproducten – die zichtbaar zijn op de door de controleurs gemaakte foto’s van de onderzochte kamer – aan haar toebehoren dan is de aard en het aantal van deze spullen volstrekt ontoereikend om daaraan de conclusie te verbinden dat zij haar hoofdverblijf had op het brp-adres.

4.4.2.

Er bestaat geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van de door de hoofdbewoner tegenover de controleurs afgelegde verklaring. De hoofdbewoner heeft tegenover de controleurs verklaard dat hij alles begrepen heeft en hij is nadien ook niet op zijn verklaring teruggekomen. Niet valt in te zien dat de hoofdbewoner wel zou weten dat in de kasten op de getoonde kamer spullen van hem en zijn vrouw lagen maar dat hij niet zou weten dat in die kasten ook spullen van appellante lagen. Indien de hoofdbewoner, zoals appellante stelt, niet wist waar appellante haar spullen bewaarde maar dat haar tante dat wel wist, dan had hij dat simpelweg kunnen verklaren of hij had het aan zijn vrouw kunnen vragen die thuis was ten tijde van het huisbezoek.

4.4.3.

De in bezwaar overgelegde getuigenverklaringen zijn onvoldoende gedetailleerd ten aanzien van de feitelijke woonsituatie op het brp-adres. Een structureel verblijf op het brp-adres kan daaruit niet worden afgeleid.

4.4.4.

Weliswaar volgt uit de overgelegde rekeningafschriften over de periode november 2017 tot en met februari 2019 dat appellante maandelijks een bedrag van € 50,- overmaakte aan de hoofdbewoner, maar bij de betalingen is niet vermeld waar deze betrekking op hebben, zodat onvoldoende is gebleken dat deze betalingen een bijdrage zijn in de kosten van gas, water en elektra op het brp-adres zoals wordt gesteld. In dat verband is ook niet zonder belang dat op de rekeningafschriften als adres van appellante het voormalig brp-adres van appellante (het adres van haar moeder) wordt vermeld, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de beweerdelijke titel van deze betalingen.

4.4.5.

Appellante heeft ten slotte twee polisbladen overgelegd van een door haar afgesloten inboedelverzekering op het brp-adres. Het ene polisblad vermeld een looptijd van 13 maart 2017 tot 1 maart 2018 met een automatische verlenging telkens voor 12 maanden. Het andere polisblad geeft een looptijd van 1 maart 2019 tot 1 maart 2020 met wederom een automatische verlenging van telkens 1 jaar. Appellante heeft ter zitting verklaard dat sprake is geweest van een doorlopende verzekering en dat de premie van de inboedelverzekering maandelijks van haar rekening werd afgeschreven. De overgelegde polisbladen zien niet op de datum van het huisbezoek en hebben een verschillend polisnummer, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van een doorlopende verzekering. Bovendien blijkt uit de door appellante overgelegde rekeningafschriften niet van structurele maandelijkse betalingen met een vast bedrag aan de verzekeraar bij wie de inboedelverzekering zou zijn afgesloten. Gelet hierop komt onvoldoende bewijskracht toe aan deze stukken.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) H. Spaargaren