Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
18/4249 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel aan de medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4249 ZW

Datum uitspraak: 29 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 juni 2018, 18/480 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ç. Bakirhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Voor appellante is verschenen mr. P.C. La Croix Kaiser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 december 2020 en heeft via videobellen plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. van de Weerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is tot 1 januari 2016 werkzaam geweest als voedingsassistente in een ziekenhuis voor 25 uur per week. Appellante heeft zich op 9 juni 2017 ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 25 september 2017 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante geschikt geacht voor het vervullen van haar eigen werkzaamheden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2017 vastgesteld dat appellante per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij niet langer ongeschikt is om haar werk als voedingsassistent te verrichten. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest, aangezien alle klachten van appellante bij de beoordeling zijn betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante overgelegde medische informatie bij de heroverweging betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op overtuigende wijze gemotiveerd dat appellante met haar beperkingen geschikt is te achten voor haar eigen werk.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Zij is onder behandeling bij verschillende medisch specialisten Deze behandelingen hebben haar klachten niet doen verminderen. Appellante is van mening dat het feit dat zij met haar beperkingen heeft gewerkt, niet aantoont dat zij haar werk ook aankon. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De hogerberoepsgronden van appellante zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en houden in dat appellante van mening is dat zij door haar lichamelijke en psychische klachten niet in staat is tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering worden door de Raad onderschreven.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanknopingspunten om de rechtbank niet te volgen in haar conclusie dat appellante op 25 september 2017 in staat was haar eigen werk als voedingsassistente te verrichten. Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie kan niet het gewicht worden toegekend dat appellante daaraan wenst toe te kennen. Hiertoe wordt overwogen dat die informatie dateert van na de datum in geding en geen relevante medische informatie geeft over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Omdat er geen twijfel is aan de medische beoordeling, is er geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.L.K. Dagmar