Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
20/2743 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de stukken blijkt dat de aangevallen uitspraak op 15 april 2020 aan partijen is gezonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep is dus op 16 april 2020 gaan lopen en eindigde op 27 mei 2020. Het hoger beroepschrift is op 5 mei 2020 ter post in Marokko aangeboden, maar pas op 1 juli 2020 door de rechtbank Amsterdam ontvangen. De Raad is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat appellant in verzuim is geweest. Geconcludeerd wordt dat appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De Raad ziet geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Een verzoek om vrijstelling van griffierecht is door de rechtbank ontvangen op 18 maart 2019, de poststempel van deze brief is 5 maart 2019. Dit is ruim na de termijn waarbinnen appellant het griffierecht had moeten voldoen, dan wel om vrijstelling van griffierecht had moeten verzoeken. De rechtbank heeft dus terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede wordt nog overwogen dat appellant geen stukken heeft ingebracht op grond waarvan het oorspronkelijke besluit onjuist moet worden geacht. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2743 AOW

Datum uitspraak: 12 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 april 2020, 18/6524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift doorgezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met een besluit van 21 oktober 2014 is aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend van 6% van het maximale bedrag voor iemand die is gehuwd of samenwoont. Het bezwaar hiertegen is, met een beslissing van 16 april 2015, niet-ontvankelijk verklaard. Hierna heeft appellant verschillende verzoeken gedaan het besluit van 21 oktober 2014 te herzien en aan hem een hoger ouderdomspensioen toe te kennen. Deze verzoeken zijn door de Svb steeds afgewezen.

1.2.

Op 2 januari 2018 heeft appellant opnieuw verzocht het besluit van 21 oktober 2014 te herzien. Met een besluit van 14 maart 2018 heeft de Svb dit opnieuw afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenmin kan gezegd worden dat het genoemde besluit onjuist is. In een beslissing van 17 september 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het griffierecht niet tijdig had voldaan.

3. In hoger beroep benadrukt appellant dat hij geen inkomen heeft, arm is en verzoekt om een herziening van zijn recht op een ouderdomspensioen. De Svb heeft erop gewezen dat appellant de beroepstermijn lijkt te hebben overschreden.

4. De Raad overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is door de wetgever onderkend dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onvoldoende kan zijn voor verzendingen vanuit het buitenland. Onder omstandigheden kan in die gevallen artikel 6:11 van de Awb worden toegepast. In zijn rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2007:BA6714) heeft de Raad overwogen dat voor toepassing van deze bepaling wel vereist is dat de betrokkene het beroepschrift heeft verzonden op een tijdstip dat en met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb wordt overschreden.

4.3.

Uit de stukken blijkt dat de aangevallen uitspraak op 15 april 2020 aan partijen is gezonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep is dus op 16 april 2020 gaan lopen en eindigde op 27 mei 2020. Het hoger beroepschrift is op 5 mei 2020 ter post in Marokko aangeboden, maar pas op 1 juli 2020 door de rechtbank Amsterdam ontvangen. De Raad is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat appellant in verzuim is geweest. Daarbij wordt overwogen dat appellant ruim voor het einde van de beroepstermijn het hoger beroepschrift ter post heeft bezorgd en daarmee alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden. Aan appellant kan niet worden tegengeworpen dat er, zoals ook in andere zaken is geconstateerd, haperingen waren in de postverwerking in Marokko in het voorjaar en de zomer van 2020. Geconcludeerd wordt dat appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Beoordeling van de aangevallen uitspraak

4.4.

De Raad ziet geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Uit de stukken blijkt dat appellant een uitnodiging tot het voldoen van het griffierecht is gezonden op 31 oktober 2018. Ook is hem, aangetekend, een herinnering daarvoor gezonden op 29 november 2018. Een verzoek om vrijstelling van griffierecht is door de rechtbank ontvangen op 18 maart 2019, de poststempel van deze brief is 5 maart 2019. Dit is ruim na de termijn waarbinnen appellant het griffierecht had moeten voldoen, dan wel om vrijstelling van griffierecht had moeten verzoeken. De rechtbank heeft dus terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat appellant geen stukken heeft ingebracht op grond waarvan het oorspronkelijke besluit onjuist moet worden geacht.

4.6.

De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2021.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) E.M. Welling