Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
18/3229 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen tegemoetkoming inkomenstoeslag en toeslagen 2016. Niet wonen binnen gemeente. Houden aan verklaring. Intrekken en terugvorderen. Onvoldoende grondslag voor hele periode. Overschrijding redelijke termijn. Parallel lopende procedures. Uit de door appellant afgelegde verklaring volgt dat hij geen woonplaats had binnen de gemeente. Het college heeft van deze verklaring mogen uitgaan. Aan een inschrijving in de Brp komt geen doorslaggevende betekenis toe. De verklaring van appellant biedt geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant met ingang van 1 december 2016 niet zijn woonplaats had in de gemeente. De verklaring ziet op de periode voorafgaande aan 24 november 2016. De Raad herroept de intrekking over de periode vanaf 1 december 2016. Verzoek om schadevergoeding redelijke termijn wordt toegewezen. De redelijke termijn is met zeven maanden overschreden. Het gaat hier om een samenstel van besluiten die hebben geleid tot grotendeels parallel lopende procedures. Daarom wordt de aan appellant te betalen schadevergoeding vastgesteld op totaal € 1000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3229 NIOAW, 18/3230 NIOAW, 18/3231 NIOAW, 18/3232 NIOAW, 18/3233 NIOAW, 18/3234 NIOAW

Datum uitspraak: 16 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

30 april 2018, 17/2247, 17/2248 en 18/2250 (aangevallen uitspraak 1), 17/2251 (aangevallen uitspraak 2), 17/2252 (aangevallen uitspraak 3), 17/2789 (aangevallen uitspraak 4) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)

de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Appellant heeft tevens verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft in de zaken plaatsgevonden op 5 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Als getuige is gehoord [getuige] te [plaatsnaam 1] (België).

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 mei 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), naar de grondslag voor een alleenstaande. Appellant stond sinds 21 augustus 2008 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (Brp), op het opgegeven adres in de [gemeente 1] (uitkeringsadres). De woning op dit adres is eigendom van Y (eigenaar Y).

1.2.

Appellant heeft op 9 november 2016 een individuele inkomenstoeslag, een tegemoetkoming aanvullende verzekering 2016 op grond van de Participatiewet (PW) en een tegemoetkoming in de kosten van sociale en culturele activiteiten 2016 bij het college aangevraagd.

1.3.

Naar aanleiding van de melding dat appellant meermaals in [plaatsnaam 2] , gemeente [gemeente 2] , was gezien, heeft de sociale recherche van Maastricht Heuvelland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende IOAW-uitkering. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan en enkele waarnemingen bij het uitkeringsadres en bij het adres van de ex-partner (Z) van appellant in [plaatsnaam 2] verricht. Op 24 november 2016 heeft de sociale recherche een huisbezoek aan de woning van Z in [plaatsnaam 2] gebracht en Z tijdens dat huisbezoek gehoord. Op diezelfde dag is ook een huisbezoek aan het uitkeringsadres gebracht, waarbij Y is gehoord. Ook is die dag appellant ten kantore gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 december 2016.

1.4.

Bij besluiten van 28 november 2016 (besluit 1) en 2 december 2016 (besluiten 2 en 3) heeft het college de in 1.2 genoemde aanvragen afgewezen. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van 9 juni 2017 (bestreden besluiten 1, 2 en 3) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf juni 2015 niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] en daarom geen recht had op het gevraagde.

1.5.

Bij besluit van 29 december 2016 (besluit 4), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
9 juni 2017 (bestreden besluit 4), heeft het college de IOAW-uitkering over de periode van
1 juni 2015 tot en met 30 november 2016 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van uitkering tot een bedrag van in totaal € 11.145,07 van appellant teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 29 december 2016 (besluit 5), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2017 (bestreden besluit 5), heeft het college de IOAW-uitkering met ingang van
1 december 2016 beëindigd (lees: ingetrokken). Het college heeft aan de bestreden besluiten 4 en 5 ten grondslag gelegd dat uit de door appellant op 24 november 2016 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring aannemelijk is geworden dat appellant vanaf juni 2015 niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] . Door hiervan geen mededeling aan het college te doen heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant had geen recht op een IOAW-uitkering van het college.

1.6.

Appellant heeft zich op 11 januari 2017 bij het college opnieuw gemeld voor een IOAW-uitkering. Op diezelfde datum heeft appellant een aanvraag ingediend. Als gewenste ingangsdatum heeft appellant 1 december 2016 opgegeven. Appellant heeft zich op

16 januari 2017 ingeschreven in de Brp op een ander adres in [gemeente 1] .

1.7.

Bij besluit van 7 maart 2017 (besluit 6), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

13 juli 2017 (bestreden besluit 6), heeft het college appellant met ingang van 16 januari 2017 een IOAW-uitkering toegekend naar de grondslag voor een alleenstaande. Het college heeft geen aanleiding gezien voor een toekenning met ingang van een eerdere datum.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 5 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 4 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 6 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1: afwijzing aanvragen individuele inkomenstoeslag en tegemoetkomingen 2016

4.1.

In geschil is of het college de aanvragen terecht heeft afgewezen op de grond dat appellant niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] . Appellant heeft aangevoerd dat het college niet enkel mag afgaan op zijn verklaring. Tijdens het verhoor is ongeoorloofde druk op appellant uitgeoefend. Het college dient bovendien ook de overige feiten en omstandigheden bij de besluitvorming te betrekken. Hierbij heeft appellant er op gewezen dat hij met succes de uitschrijving op het uitkeringsadres uit de Brp in juni 2016 ongedaan heeft laten maken. Appellant heeft verder een verklaring van Y overgelegd en ter zitting de getuige doen horen.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.3.

In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn/haar woonplaats heeft, is dan ook bepalend waar hij/zij zijn woonstede heeft en bij gebreke daarvan zijn/haar werkelijke verblijfplaats. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de Brp. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432).

4.5.1.

Appellant heeft op 24 november 2016 verklaard dat Y de kamers op het uitkeringsadres verhuurt en dat appellant geen vaste kamer heeft op het uitkeringsadres. Als hij een keer twee dagen op het uitkeringsadres wil zijn, dan belt hij met Y. Als Y een kamer vrij heeft, kan hij daar terecht. Hij is vaak in het weekend bij Z in [plaatsnaam 2] en soms ook door de week. Hij doet in [plaatsnaam 2] boodschappen en gaat er naar het postkantoor. Zijn was wordt gedaan door een andere vrouw bij wie hij soms verblijft. Zijn persoonlijke bezittingen liggen bij Z, bij kennissen in [plaatsnaam 3] en op het uitkeringsadres. Zijn papieren liggen in [plaatsnaam 3] . Hij is drie dagen in [plaatsnaam 2] , twee dagen in [plaatsnaam 4] bij de vrouw en af en toe in [gemeente 1] . Het is een gemiddelde, het schema verschilt. Op de vraag wat de buren in [plaatsnaam 2] zouden zeggen heeft appellant geantwoord dat die zeker zullen zeggen dat hij daar woont . Ze zullen hem daar regelmatig zien . Hij is daar natuurlijk ook vaker. Ze zullen hem wel als buurman zien. Deze situatie is al zo sinds juni 2015. Appellant heeft dit gedaan, omdat hij moest solliciteren en omdat hij weg moest bij Y. Er heerste sinds juni 2015 een spanning tussen hem en Y , wat er toe heeft geleid dat appellant zo weinig mogelijk op het uitkeringsadres verbleef . Als hij op het uitkeringsadres kwam, was dit alleen om te slapen.

4.5.2.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de in 4.5.1 weergeven verklaring van appellant volgt dat hij geen woonplaats had in [gemeente 1] . Wat appellant heeft aangevoerd, brengt niet mee dat het college niet van deze verklaring uit mocht gaan. Daartoe is het volgende van belang.

4.5.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat van dit algemene uitgangspunt moet worden afgeweken. In de door appellant op 24 november 2016 – zonder voorbehoud – per bladzijde ondertekende verklaring is opgenomen dat appellant zijn verklaring vóór ondertekening heeft doorgelezen. Ook kan uit het verslag, waarin de gestelde vragen en de door appellant gegeven antwoorden zijn opgenomen, niet worden afgeleid dat tijdens het gehoor ontoelaatbare druk is uitgeoefend.

4.5.4.

Met het enkele feit dat appellant met succes de uitschrijving uit de Brp op het uitkeringsadres in juni 2016 ongedaan heeft gemaakt, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij wel op het uitkeringsadres woonde. Zoals in 4.4 reeds is overwogen komt voor de beantwoording van de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40 van de PW geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de Brp. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de concrete feiten en omstandigheden van belang. Dat voorts - zoals appellant heeft aangevoerd - onduidelijk zou zijn hoe, hoe vaak en wanneer waarnemingen bij het uitkeringsadres en bij het adres van Z hebben plaatsgevonden en dat het huisbezoek op het adres van Z in [plaatsnaam 2] haastig zou zijn geweest, betekent evenmin dat niet van zijn verklaring kan worden uitgegaan.

4.5.5.

De door appellant overgelegde verklaring van Y van 21 juni 2021 leidt niet tot een ander oordeel. Y heeft weliswaar verklaard dat appellant van 2009 tot en met eind 2016 bij hem woonde, maar hij heeft daarbij geen concrete feiten over de mate van het daadwerkelijke verblijf van appellant vermeld. Dit klemt te meer, nu Y wel heeft verklaard dat appellant de huur van € 80,- per maand nauwelijks heeft betaald en dat Y het pand stap voor stap verbouwde om het gereed te maken voor vakantieverhuur, waardoor appellant op verschillende kamers sliep. Ook de verklaring ter zitting door de getuige kan niet tot een ander oordeel leiden. De getuige heeft verklaard dat hij appellant wekelijks van het uitkeringsadres ophaalde om in [gemeente 1] iets te gaan drinken. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant feitelijk verbleef op het uitkeringsadres.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5.5 volgt dat appellant geen recht had op de gevraagde tegemoetkoming inkomenstoeslag en tegemoetkomingen 2016 van het college.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2: intrekking en terugvordering IOAW-uitkering over de periode van
1 juni 2015 tot en met 30 november 2016

4.8.

In geschil is of het college de IOAW-uitkering terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] . De door appellant aangevoerde gronden zijn gelijk aan de gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak 1 en als vermeld in 4.1.

4.9.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juni 2015 tot en met 30 november 2016.

4.10.

Het besluit tot intrekking van een IOAW-uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.11.

Overeenkomstig artikel 40 van de PW is in artikel 11 van de IOAW bepaald dat het recht op uitkering bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Wat is overwogen in 4.3 en 4.4 is van overeenkomstige toepassing.

4.12.

Het college heeft met de verklaring van appellant van 24 november 2016, zoals weergegeven in 4.5.1, aannemelijk gemaakt dat appellant vanaf juni 2015 niet zijn woonplaats had in [gemeente 1] . Verwezen wordt naar wat is overwogen in 4.5.1 tot en met 4.5.3. Hier wordt nog aan toegevoegd dat de verklaring van appellant op zichzelf een toereikende grondslag biedt voor de intrekking op de grond dat appellant niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] (vergelijk de uitspraak van 24 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3103).

4.13.

Uit 4.10 tot en met 4.12 volgt dat appellant over de te beoordelen periode van

1 juni 2015 tot en met 30 november 2016 geen recht had op een IOAW-uitkering van

het college.

4.14.

Uit 4.13 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 3: intrekking IOAW-uitkering met ingang van 1 december 2016

4.15.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 december 2016 tot en met 29 december 2016.

4.16.

Voor het geschil en het juridisch kader wordt verwezen naar 4.8, 4.10 en 4.11.

4.17.

Het college heeft aan bestreden besluit 5 dezelfde onderzoeksbevindingen ten grondslag gelegd als aan bestreden besluit 4, te weten de verklaring van appellant afgelegd op
24 november 2016. Deze verklaring biedt echter geen feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant met ingang van 1 december 2016 niet zijn woonplaats had in de [gemeente 1] . De verklaring ziet immers enkel op de periode voorafgaand aan 24 november 2016 en zegt niets over de woonplaats van appellant in de periode van 1 december 2016 tot en met
29 december 2016.

4.18.

Uit 4.16 en 4.17 volgt dat bestreden besluit 5 niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 3 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 5 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4.19.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Gelet op het dossier en het tijdsverloop is onaannemelijk dat nader onderzoek door het college nog een toereikende grondslag zal opleveren voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 december 2016 tot en met 29 december 2016 zijn woonplaats niet in [gemeente 1] had. Op een andere (wettelijke) grondslag voor de intrekking heeft het college zich niet beroepen. Gelet hierop zal de Raad het besluit 5 van 29 december 2016 herroepen.

Aangevallen uitspraak 4: toekenning IOAW-uitkering

4.20.

Nu voor de intrekking van de bijstand vanaf 1 december 2016 geen grondslag bestond, was de aanvraag van 11 januari 2017 achteraf bezien overbodig. Aan het bestreden besluit 6, waarbij de afwijzing vervat in besluit 6 is gehandhaafd, ontvalt daarom de grondslag. Het bestreden besluit 6 moet daarom worden vernietigd. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak 4, waarbij dat besluit in stand is gelaten, eveneens moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen de aangevallen uitspraak 4 gegrond verklaren en het bestreden besluit 6 vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door besluit 6 te herroepen.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.21.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

4.22.

In een procedure in drie instanties als hier in geding mag het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.23.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.24.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 22 december 2016 van het bezwaarschrift tegen besluit 1 van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim zeven maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden.

4.25.

Van het tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het college ruim vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 6 juli 2017 van het beroepschrift van appellant tegen bestreden besluit 1 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim negen maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 12 juni 2018 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak drie jaar en twee maanden geduurd.

4.26.

Uit 4.25 volgt dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. De redelijke termijn is met zeven maanden overschreden. Verder is nog van belang dat het hier gaat om een samenstel van besluiten die hebben geleid tot grotendeels parallel lopende procedures. Mede daarom is het aangewezen de aan appellant te betalen schadevergoeding vast te stellen op in totaal € 1.000,-.

Proceskosten

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 2.992,- in bezwaar, € 2.244,- in beroep en € 1.496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 6.732,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

De aangevallen uitspraken 1 en 2

- bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

De aangevallen uitspraak 3

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 3;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juni 2017 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept het besluit van 29 december 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 juni 2017;

De aangevallen uitspraak 4

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 4;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2017 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept het besluit van 7 maart 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 juli 2017;

Schadevergoeding

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

Proceskosten en griffierecht

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 6.732,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 344,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2021.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) Y. Al-Qaq