Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
19/4374 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand afgewezen. Onduidelijke financiële situatie. Weliswaar heeft appellant met zijn verklaringen zijn financiële situatie toegelicht, maar zijn financiële situatie is te onduidelijk gebleven. Appellant heeft onvoldoende gegevens overgelegd om hierover een compleet beeld te verkrijgen. Hij heeft wisselend en onduidelijk verklaard over het betalen van huur. Ook op andere punten heeft appellant teveel onduidelijkheid laten bestaan door geen verifieerbare bewijsstukken over te leggen. Appellant heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie als gevolg waarvan de bijstandbehoevendheid in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4374 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 september 2019, 19/2121 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 16 augustus 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.S. van der Vliet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellant heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, als opvolgend gemachtigde nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2021. Appellant is verschenen, vergezeld door [naam moeder appellant] (moeder) en [naam begeleider appellant] (begeleider) en bijgestaan door

mr. Van der Geld. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.V. Tuchkova.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was sinds 18 april 2005 zorgverlener van zijn broer. Voor het verlenen van deze zorg ontving appellant inkomsten uit het persoonsgebonden budget (pgb) van zijn broer. Appellant stond sinds 23 juni 2005 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven als inwonend op het adres van zijn broer in [naamplaats]. Zijn broer was de hoofdbewoner en zijn zus medebewoner. Met ingang van 1 januari 2018 is appellant met zijn werk als zorgverlener voor zijn broer gestopt. Hij ontving op 19 januari 2018 voor het laatst salaris voor dit werk. De betaling van €13.990,- had betrekking op de periode van augustus 2017 tot en met december 2017.

1.2.

Appellant heeft zich op 1 september 2018 gemeld en hij heeft op 12 oktober 2018 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet ingediend. Bij de aanvraag heeft appellant verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag heeft geleefd van het pgb-salaris dat hij op 19 januari 2018 heeft ontvangen. Appellant heeft gegevens verstrekt waaronder bankafschriften, een pgb-zorgovereenkomst, pgb-budgetoverzichten en bewijzen van betaling van zijn premie zorgverzekering. Bij e-mailbericht van 24 oktober 2018 heeft appellant onder meer verklaard dat zijn pgb-salaris door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) rechtstreeks werd overgemaakt op de bankrekening van zijn moeder en dat hij bij zijn broer een kamer huurt voor € 300,- per maand, inclusief gas, water en licht.

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD-medewerkers) een verdergaand onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellant. In dat kader is aan appellant verschillende keren verzocht om financiële gegevens over te leggen waaronder bewijs van betaling van zijn vaste lasten en bewijs van hoe appellant bijvoorbeeld boodschappen en kleding heeft bekostigd en gegevens over de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant is daarbij gevraagd om met verifieerbare stukken inzicht te geven in de wijze waarop hij het op 19 januari 2018 ontvangen salaris van

€ 13.990,- heeft besteed.

1.3.1.

Appellant heeft op deze verzoeken bij e-mailberichten van 12 en 25 november 2018 en van 10 december 2018 verschillende verklaringen verstrekt over zijn financiële omstandigheden.

1.3.2.

Appellant heeft in zijn e-mailbericht van 12 november 2018 verklaard dat het pgb-salaris van appellant door de Svb op de rekening van zijn moeder werd gestort en door haar werd beheerd, dat hij vanaf 1 januari 2018 tot 12 november 2018 op kosten van zijn ouders heeft geleefd en met de pot heeft meegegeten, dat hij in die periode geen huur heeft betaald en dat zijn overige kosten beperkt bleven tot zijn zorgpremie, die door zijn moeder werd betaald. In zijn e-mailbericht van 25 november 2018 heeft appellant dit nader toegelicht. Verifieerbare bewijsstukken van boodschappen en verdere kosten van levensonderhoud, behoudens de kosten van zijn ziektekostenpremie, zijn er niet. Bij e-mailbericht van 10 december 2018 heeft appellant verklaard dat het pgb-salaris is besteed over de periode van augustus 2017 tot en met november 2018. Totdat het bedrag in januari 2018 werd overgemaakt, heeft zijn moeder zijn kosten voorgeschoten. Over vorenstaande periode is € 3.000,- aan huur betaald, namelijk € 200,- per maand, inclusief gas, licht en water en zijn ook de ziektekostenpremies, tot een bedrag van € 1.803,- en twee CJIB boetes, van in totaal € 713,-, door de moeder voldaan. Uitgaande van deze kosten heeft appellant maandelijks ongeveer € 300,- aan levensonderhoud uitgegeven. Het is voor appellant niet mogelijk dit bedrag nader te specificeren of te onderbouwen.

1.3.3.

Op 18 december 2018 heeft appellant tijdens een gesprek met de RSD-medewerkers onder meer het volgende verklaard. Het pgb-salaris werd uitbetaald op de bankrekening van zijn moeder omdat zij alles voor appellant en zijn broer regelt. Als hij iets nodig heeft, zegt hij dit tegen haar en krijgt hij haar bankpas mee, maar meestal pint zij geld en geeft zij dit aan appellant. Het pgb-salaris van € 13.990,- is een brutobedrag. Hiervan moet nog een deel aan de belasting terugbetaald worden. Van het resterend nettobedrag zijn alle kosten van appellant betaald zoals zijn ziektekosten, huur, kosten voor de telefoon en eten. Appellant heeft geen huurcontract met zijn broer. De huur die appellant is verschuldigd wordt door zijn moeder, vanaf het begin dat appellant er woont, contant aan zijn broer betaald. De huur is betaald tot en met november 2018. Nadat appellant met de zorg voor zijn broer is gestopt werd dit eerst overgenomen door een andere broer en daarna door een zus van appellant.

1.3.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ‘rapport intensief controle onderzoek’.

1.4.

Bij besluit van 27 december 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2019

(bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Het dagelijks bestuur

heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie waardoor niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellant heeft onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Zo heeft hij niet met verifieerbare stukken inzicht gegeven in de wijze waarop het op 19 januari 2018 ontvangen pgb-salaris van € 13.990,- is besteed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn financiële situatie over de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag wel degelijk inzichtelijk heeft gemaakt en dat daaruit blijkt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het inhoudelijke besluit op die aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 september 2018 tot en met 27 december 2018.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399).

4.3.

Weliswaar heeft appellant met de in 1.3.1 tot en met 1.3.3 vermelde verklaringen zijn financiële situatie toegelicht, maar zijn financiële situatie is te onduidelijk gebleven. Appellant heeft onvoldoende gegevens overgelegd om hierover een compleet beeld te verkrijgen. Hij heeft wisselend en onduidelijk verklaard over het betalen van huur, niet alleen over het bedrag, maar ook zijn verklaring dat zijn moeder het verschuldigde bedrag contant aan zijn broer zou geven, wijkt af van een eerdere verklaring dat hij geen huur zou betalen. Het is dus onduidelijk gebleven of appellant woonkosten had. Ook op andere punten heeft appellant teveel onduidelijkheid laten bestaan door geen verifieerbare bewijsstukken over te leggen. In de te beoordelen periode gebruikte appellant geen eigen bankrekening. De bankrekening waarvan de kosten voor levensonderhoud werden betaald, staat op naam van de moeder. Deze bankrekening werd gebruikt als een familierekening. De moeder betaalde niet alleen voor appellant, maar ook voor zijn broers de kosten voor levensonderhoud vanaf deze rekening, zo is de stelling van appellant. Appellant heeft een beperkt aantal bankafschriften van zijn moeder overgelegd. Uit deze bankafschriften volgt niet dat bedragen aan appellant ter hand zijn gesteld voor levensonderhoud. Ook heeft appellant niet met verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij heeft verklaard, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand heeft voorzien in zijn levensonderhoud met het in januari 2018 ontvangen pgb-salaris. Hierdoor heeft appellant, anders dan hij meent, onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie als gevolg waarvan de bijstandbehoevendheid in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.4.

De stelling van appellant dat hij niet méér gegevens kon aanleveren, wat hier ook van zij, maakt het niet anders. Uit 4.2 volgt dat de bewijslast op appellant rust, zodat de gestelde bewijsnood voor zijn risico dient te komen.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2021.

(getekend) K.M.P. Jacobs

(getekend) R. de Haas